Servië

Klikrevoluties

Sociale media spelen een cruciale rol in Zuid-Oost Europa als uitlaatklep van burgerlijke onvrede. Waar traditionele media massaal worden gewantrouwd, en de regering nog meer, hebben protestbewegingen zich de afgelopen jaren razendsnel georganiseerd via facebook en soortgelijke netwerken. Wat levert dat op?

Door Joost van Egmond

In juni 2011 werd de Macedonische student Martin Neskovski doodgeschopt. De omstandigheden waren schimmig. Verscheidene getuigen zagen hoe hij op verkiezingsavond wegvluchtte uit een menigte. Even later lag hij levenloos in het park, omringd door agenten.

Aangeslagen getuigen kregen de volgende dag een tweede schok te verwerken: het voorval bestond niet. Volgens het ministerie van Binnenlandse Zaken was er die avond niets noemenswaardig voorgevallen, een dode was er zeker niet te betreuren. Officiële media hulden zich in een oorverdovend stilzwijgen over het incident.

De verontwaardiging daarover verspreidde zich als een virus over sociale media. Niemand wist precies wat er aan de hand was, aanvankelijk hadden veel twitteraars zelfs de naam van het slachtoffer fout, maar dat was nu juist het punt: activisten wilden druk zetten om de toedracht van het voorval boven water te krijgen. Twitter en facebook brachten mensen op de straat, foto’s van die protesten brachten meer mensen op straat en het stilzwijgen rond Neskovski’s dood werd doorbroken.

Het zijn de momenten waarop sociale media op hun best zijn. Waar traditionale media falen in hun informatiefunctie, is er altijd een tweede kans via facebook. Hoewel de demonstranten allerminst tevreden waren, haalden de autoriteiten allicht enigszins bakzeil. De dood van Neskovski werd met horten en stoten erkend, en een agent gaf uiteindelijk zichzelf aan als de dader.

#wanhoop

Het is een patroon dat zich geregeld herhaalt in de hele regio. Onvrede is breed aanwezig. Hoe kan het ook anders. Zuid-Oost-Europa is structureel armer dan de rest van het continent, en de achterstand wordt niet kleiner. Ook in de kwaliteit van het onderwijs loopt de regio zijn achterstand niet in, waardoor een nieuwe generatie weinig perspectief op de arbeidsmarkt heeft. De perceptie van corruptie, de belangrijkste graadmeter van het sociale effect van corruptie, is de hoogste van Europa.

Dat zorgt voor een wantrouwen dat nauwelijks meer weg te nemen is: De schandalen die naar buiten komen versterken het gevoel dat de overheid door en door rot is. Is er eens een keer geen schandaal, dan is iedereen overtuigd dat alles in de doofpot verdwijnt. De media worden ook diep gewantrouwd. Een wijdverbreid gevoel is dat de helft van de journalisten in de zak zit van de regering, en de andere helft te bang is om zich uit te spreken.

In zo’n klimaat zijn facebook en twitter de vluchtheuvels. Zeker voor heel wat jongeren zijn dat de énige media die ze volgen. Het is ook voor protestgroepen vaak de belangrijkste uitlaatklep, die ze een vorm van direct contact biedt met hun publiek. De meeste protestbewegingen beginnen niet als een digitale opstand, maar sociale media hebben wel grote invloed op hun groei.

Deze laagdrempelige media fungeren als megafoon en er hoeft maar weinig te gebeuren om een rel te veroorzaken. Een “dit vind ik leuk”, een retweet, nog ééntje erbij en het nieuws verspreidt zich. Daarop volgt de verontwaardiging. Iemand roept op om “iets” te doen en de volgende dag staan er duizenden mensen op een plein.

Althans, zo gaat het geregeld…

Voor hetzelfde geld was het bij één ludieke actie van zeven jonge ouders gebleven. Ze waren het zat ze dat hun pasgeboren baby niet konden registreren doordat het Bosnische parlement geen wet aannam om die registratie te regelen.

Geen registratie, geen burgerservicenummer en dus ook geen verzekering of paspoort. De dramatische gevolgen werden voor iedereen duidelijk toen een ernstig zieke baby wegens administratieve problemen niet op tijd naar een ziekenhuis in Duitsland kon worden gebracht en overleed.

En dus reden deze zeven vaders naar het parlementsgebouw en parkeerden voor de uitgang om verhaal te halen. “We wilden ons maar eens laten horen”, herinnert Zlatko Abaspahić zich, één van die eerste deelnemers.

De volgende dag waren er een paar duizend mensen. Ze bestormden het parlementsgebouw en gooiden de deuren op slot. De onrust sloeg razendsnel over naar andere steden. De “babolutie” van 2013 was begonnen. Via sociale media was het allemaal op de voet te volgen. Kleine demonstraties konden zich met een paar tweets versmelten tot een grote.

De oersaaie administratieve afkorting voor burgerservicenummer (JMBG) werd plots het aansprekende motto van een politieke beweging. Duizenden en duizenden mensen in binnen-en buitenland lieten zich fotograferen met de tekst #jmbg en stuurden de foto’s rond.

Wekenlang was Bosnië in rep er roer. Een unicum in een land waar burgers zich liefst afzijdig houden van politiek. Klagen in de koffiehuizen was sinds jaar en dag de manier om woede af te reageren over de incompetentie van het bestuur. Nu vonden ze een andere weg. “Dit is de eerste keer in twintig jaar dat mensen hun angst laten varen en hun onvrede tonen”, zei Aldin Arnautović, een columnist en demonstrant, trots.

Het onmiddellijke doel werd behaald, net als bij de protesten over Neskovski’s dood in Macedonië. Dat bleek een gemengde zegen voor de beweging. Nadat het burgerregister weer op orde was, was de angel uit de protesten gehaald. De fopspeen, het symbool van de “babolutie” van 2013, was waardeloos geworden.

In Bosnië trad de rust weer in, tot de volgende opstand, ruim een half jaar later, die weer éénzelfde stormachtige opkomst en ondergang vertoonde. Zo ging het ook met corruptieprotesten in Kroatië en Slovenië, demonstraties tegen goudwinning in Roemenië, tegen een internetbelasting in Hongarije of tegen vervuild afval in Albanië…

Klik je woede weg

Sinds de ‘Arabische lente’ zijn sociale media-revoluties een hype. Wat slaagt, wordt toegeschreven aan nieuwe media, en de vele protestbewegingen die floppen, daar horen we in de eerste plaats al nooit over.

Het lijkt er soms bijna op dat dit soort protestbewegingen zijn succes te danken heeft aan sociale media. Je zou vergeten dat verreweg de meest geslaagde burgeropstand in deze regio de demonstraties tegen de socialistische dictatuur in 1989 waren. Vóórdat zelfs maar email of mobiele telefonie waren doorgedrongen. In vergelijking daarmee is het succes van de digitale bewegingen matig.

Dat komt voor een deel juist door het karakter van die sociale media. Facebookrevoluties zijn net zo vluchtig als facebookstatussen zelf. Mensen kunnen in een seconde een gemeenschappelijke interesse vinden. Als een idee echt populair wordt, zal er zeker iemand opstaan die oppert bijeen te komen op dat-en-dat plein. De verbinding met de straat is gelegd en de magische megafoon van sociale media kan zijn werk doen. Foto’s van menigtes brengen nieuwe menigtes op de been en voor je het weet heb je een opstand, vaak tot verbazing van de initiatiefnemers zelf.

Het medium heeft een paar aantrekkelijke voordelen die gemaakt lijken te zijn voor de situatie in Oost-Europa. Zo’n beweging heeft geen leiders nodig en geen concreet programma. Clicks krijg je door vaag te blijven en zoveel mogelijk mensen aan te spreken, niet door concreet te worden. “#jmbg!” was één van de succesvolste slogans van de laatste jaren. Andere waren “Sarajevo in opstand” of “Wij hebben genoeg van jullie”.

Op die manier kan een grote groep worden bereikt die door ervaring cynisch is geworden over politiek. Traditionele politieke hervormingsbewegingen gaan hier doorgaans ten onder aan controverses rond hun leider, of gekibbel over de details van het politieke programma. Die problemen worden met de simpele, egalitaire organisatie van sociale media omzeild.

Maar die kracht is ook de zwakte. “Verzet per smartphone” is zó weer gebroken. Door een strategische knieval van de overheid, of door prozaïscher oorzaken zoals slecht weer, werk- of andere verplichtingen. Het is gewoon niet te doen om een grote menigte lange tijd op de been te houden. En de samenhang en betrouwbaarheid van digitale groepen is extreem zwak. Je weet nooit waar je aan toe bent.

Facebookrevoluties hebben een paar grote voordelen waar iedereen het over heeft, maar de zwaktes zijn onderbelicht, zegt Srđa Popović. Hij was rond de eeuwwisseling één van de initiatiefnemers van de geweldloze opstand tegen de Servische dictator Slobodan Milošević. Tegenwoordig leidt hij het Centrum voor Toegepaste Geweldloze Actie en Strategie CANVAS in Belgrado, dat steun biedt aan (en onderzoek doet naar) protestbewegingen. Hij noemt de fenomenen ‘clicktivisme’ en ‘occupy-isme’ als structurele zwaktes.

De eerste is het idee dat je met een muisklik daadwerkelijk iets bijdraagt: “Ik ken heel veel mensen die via facebook een paar goede doelen per dag aanklikken en het daarbij laten. Je hebt het gevoel dat je iets hebt gedaan. De activistische stoom gaat zogezegd van de ketel.”

Occupy-isme is de obsessie met het vullen van pleinen. Sociale media maken dat gemakkelijker dan ooit en dus kunnen veel sociaal activisten de verleiding niet weerstaan: “Groepen worden supergeobsedeerd door het gemak waarmee ze een massa kunnen bereiken en verwarren dat middel met een doel. Het idee heeft postgevat dat als we met zijn allen op een symbolische plaats gaan staan de chocolaatjes vanzelf uit de lucht komen vallen”, zegt Popović.

“In werkelijkheid is het de laatste tactiek die ik mensen zou aanraden. Het is enorm veeleisend. Je moet de menigte organiseren. Mensen moeten plassen, ze moeten iets te doen hebben… Tegelijkertijd is het niet vaak effectief. Je verspilt de energie van je aanhangers.”

Leercurve

Dat weten activisten in Tuzla al te goed. In februari 2014 was plotseling de boot aan in deze stad in Bosnië. Ontslagen fabrieksarbeiders demonstreerden al jaren tegen de privatisering – volgens hen plundering – van staatsbedrijven, die de meeste fabrieken de kop had gekost. Plots kregen ze gezelschap van duizenden medeburgers. Er waren rellen, een regeringsgebouw ging in brand en even was er de euforie dat er echt iets ging veranderen.

Activist Emin Eminagić weet nog steeds niet hoe het kwam: “We waren nooit overmatig met facebook bezig. We postten gewoon aankondigingen van onze demonstraties. Duizend mensen zegden toe om te komen, vijf stonden er daadwerkelijk. Dat was een ingesleten patroon van jaren. En ineens stonden daar duizenden mensen.”

Die menigte bleef niet. Een paar dagen later stond demonstrant Muhareb Hasić

letterlijk alléén in de regen voor dat uitgebrande regeringskantoor in Tuzla. “We zijn hongerig en woedend”, zei hij vol overtuiging. Half Bosnië was dat volmondig met hem eens, maar op die dag was hij wel de enige die daar in de regen nog stond.

Tuzla deed wel een poging om de protesten concreet te maken en het momentum van de demonstraties te behouden. Snel werd een burgerforum opgericht, waar iedereen voorstellen voor hervormingen kon indienen. Het vond al snel navolging in heel Bosnië.

Bijeenkomsten verliepen verfrissend chaotisch, burgers besprongen enthousiast het podium. De één wilde privatiseringen van staatsbedrijven terugdraaien, een ander pleitte voor een volksomroep, als tegenwicht voor de regeringspropaganda waar hij de publieke omroep van betichtte. Het werd allemaal keurig genotuleerd en gepubliceerd op sociale media. Via internet werden de vergaderingen live door duizenden mensen gevolgd.

De fora wierpen ook vruchten af. Een oproep om een exorbitante bonus voor politiek bestuurders af te schaffen werd prompt gehonoreerd. Maar ondanks, of misschien wel dankzij, dit soort succesjes verloren de burgerfora toch momentum.

Intussen is er weinig veranderd aan de armoede en de woede in Tuzla. Maar de uitgebluste revolutie van vorig jaar heeft Emin Eminagić gesterkt in zijn overtuiging dat je niet teveel moet leunen op sociale media en snelle demonstraties. “Uiteindelijk vervreemdt het je publiek. Sociale media zijn heel handig als je snel iets groots wilt organiseren. Maar op dit moment richten we ons vooral op direct, persoonlijk contact met mensen, zoals werknemers van geprivatiseerde staatsbedrijven die nu op straat staan.”

Eminagić noemt het Tuzla Initiatief, dat ijvert voor een gelijkere verdeling van het budget over de regio’s van Bosnië, als duidelijk voorbeeld van een betere benadering. Een groep voortrekkers heeft een duidelijk plan, met concrete voorstellen, en vraagt er aandacht voor via ‘traditionele’ kanalen: het parlement of de gevestigde pers. Daarná komt het bereiken van een groot publiek. “Strategie komt eerst, dat is eens te meer duidelijk.”

Naijleffect

De regio is inmidddels bezaaid met initiatieven die succesvol waren dankzij sociale media, maar niet op een fundament werden gebouwd. Maar toch kan het zijn dat al die uitgebluste opstanden stukje bij beetje de mentaliteit veranderen.

Dat denkt Balász Gulyás. Hij hielp in oktober vorig jaar in Hongarije het protest organiseren tegen een aangekondigde belasting op internetgebruik. Het bleek een prachtige aanleiding om de onvrede met de autoritaire regering van premier Victor Orbán te bundelen. De grootste manifestatie bracht honderdduizend mensen op de been. De nieuwe belasting ging van tafel, maar daarmee ook de massale animo voor protesten.

Dezer dagen is Gulyás al blij met een paar duizend deelnemers. “Zo’n menigte als in oktober was uniek”, beseft hij. “Maar al die kleinere protesten helpen toch om de publieke stemming te veranderen. Mensen waren verlamd door het idee dat er niets kan worden gedaan tegen Orbán. Dat hebben we doorbroken.” Hij hoopt op een optelsom van kleine acties die mensen klaarstoomt om hun lot in eigen handen te nemen.

Iets soortgelijks heeft zich wellicht al voltrokken in Roemenië. Dat land zag jaren van sit-in protesten tegen corrupte politici, tegen de winning van goud of schaliegas. Of tegen niets in het bijzonder.

Duizenden mensen lieten zich fotograferen met een stuk karton met de boodschap “Wij hebben genoeg van jullie” – inclusief, in een spontane ingeving, uw correspondent. De actie was ludiek, vrijblijvend en juist bedoeld om nooit meer iets concreets van te horen. Het facebookaccount was na een korte periode van hevige activiteit maandenlang stil.

Maar in oktober vorig jaar vond in Roemenië de tastbare revolte plaats. Honderdduizenden kiezers van wie niemand had gedacht dat ze zouden stemmen, doken plots op bij het stembureau om de kansloos geachte outsider Klaus Iohannis tot president te kiezen.

De omwenteling had veel te danken aan die sociale media. Last minute-oproepen van gewone burgers om ondanks alle pessimisme toch te stemmen bleken plots succesvol. Roemeense expats in Frankrijk namen, in de lange rij voor het sluitende stembureau, een spontane videoboodschap op voor hun landgenoten in de Verenigde Staten waar de stembussen nog open waren. Iohannis zelf was de eerste om het ‘online’ actievoeren als tot geheim van zijn succes te verklaren.

In dit geval kwamen de elementen bij elkaar om de megafoonfunctie van sociale media tot hun recht te laten komen: het langdurige veldwerk van protestgroepen had het publiek rijp gemaakt, en er was een concreet en simpel doel, dat met één gang naar het stembureau te verwezenlijken was.

Dat is wellicht de echte magie van sociale media als actiemiddel: het is geen vervanger voor een solide organisatie, maar in de juiste omstandigheden kunnen een paar tweets daadwerkelijk iets teweeg brengen.

Een spoedcursus drank stoken

Mijn peren liggen te fermenteren in een paar grote vaten. Een heel prettige geur geeft het nog niet, maar dit is noodzakelijk. Pletten, kilo’s suiker erover en wachten. Het gistingsproces is al in volle gang, getuige de luchtbellen en de penetrante geur als je te dichtbij komt.

De peren zijn de afgelopen weken gestaag uit de bomen komen vallen die ik sinds kort de mijne mag noemen. Ik had geen idee waar te beginnen om ze te verwerken. Miodrag wel. Hij kon de rottende peren niet aanzien. ‘Breng ze maar naar mij. Die zijn uitstekend voor de stookketel.’ Mijn spoedcursus rakija maken was begonnen.

  • Door Joost van Egmond

Rakija is een verzamelnaam voor sterke drank van gedistilleerd fruit. Verreweg de gebruikelijkste is sljivovica, pruimenrakija. Maar ook met druiven, abrikozen, peren of appelen werkt het prima. De drank is populair van Bulgarije tot Slovenië, en heel wat landen claimen het als nationale drank.

 Rakija vervult dezelfde functie als een gesprek over het weer of voetbal in Nederland doet

Het in deze streken een cultuurgoed, veel meer dan een drinkgewoonte. Het is een ijsbreker, brengt gesprekken op gang en geeft de gelegenheid om beleefdheid te tonen. Eigenlijk vervult het dezelfde functie als een gesprek over het weer of voetbal in Nederland doet.

Wie een gast ontvangt schenkt een glas, en wie op bezoek komt neemt dat glas aan. En een tweede, want op één been kun je niet lopen. Of het nu negen uur ‘s ochtends is of niet. Een toost, de krijger complimenteert de gever met de kwaliteit, en de menselijke toenadering is een feit. Vervolgens kan een gespreksonderwerp worden aangesneden. Een gesprek over geld kan bijvoorbeeld eigenlijk niet plaats vinden zonder een glas rakija.

Dat wil niet zeggen dat er nu per sé veel gedronken moet worden. Al wordt er hier heel wat brandewijn verzet, dronkenschap is minstens net zo’n taboe als in Nederland. Alles draait dan ook om de maatvoering; de glazen zijn klein, er wordt langzaam genipt, en dat tweede glas is, hoewel volgens velen noodzakelijk, ook doorgaans wel het laatste.

 Vooral geen etiket

Zelfgestookt staat bovenaan in de pikorde van rakija’s. Het is de meest persoonlijke vorm van schenken, het is zoiets als iemand je huis binnenlaten. Die categorie omvat ook de brandewijn van opa, of van een tante op het platteland. Voor stedelingen zonder tuin is dat om praktische redenen de enige ‘zelfgestookte’ rakija die ze kunnen bieden.

Daarna komen de merkloze rakija’s met een goed verhaal; gesmokkeld uit een buurland, of gekocht uit de achterbak van een lada van een man die beweerde dat de pruimen zijn gestookt in een ketel die nog uit de negentiende eeuw stamt. Maar wat eigenlijk niet kán, is een fles van een merk.

‘Ik drink nooit fabrieksrommel’, verklaart een arts stellig. ‘Spul met een etiket erop is goed voor desinfectie, hooguit.’ Hij stookt niet eens zelf, maar door de vele huisbezoeken die hij voor zijn vak aflegt heeft hij nooit een tekort aan flessen.

Dat geldt ook voor een journalist, en zeker een buitenlander. Het is een catch-22 waarop ik de uitweg nog niet heb gevonden. Op de vraag hoe de rakija bevalt is maar één beleefd antwoord mogelijk, en dat compliment is doorgaans aanleiding om de fles dicht te doen en hem voor je in te pakken, soms met nog een tweede uit de kelder erbij.

Ik heb flessen staan van een priester in Kosovo, zijn buurman, een lifter in Bosnië, de verre opa van een vriendin, de burgemeester van een afgelegen bergdorp en een gepensioneerde weduwe in Montenegro wiens naam ik ben vergeten. En daarachter nog een paar rijen.

 De keuringsdienst van waren zou hier een rolberoerte krijgen

En nu ben ik dus zelf aan de beurt. Miodrag pookt het houtvuur onder de ketel fiks op, de lucht trilt van de hitte. Even later druppelt de rakija uit een pijp aan het andere eind van de distilleerinstallatie in een oude verfemmer. Eerste kook, dus nog niet te drinken. Voor het echte werk zullen we moeten herdistilleren.

 

De keuringsdienst van waren zou hier een rolberoerte krijgen. We zitten in een halfopen schuur, overal liggen sigarettenpeuken en we bedienen onszelf van verse rakija door een glas in een grote ton te dopen.

Miodrag is er nuchter onder. ‘Dit is een schoon proces. De stoom loopt door die pijp en er kan geen rommel bij. In tegenstelling tot fabrieksrakija. Daar weet je nooit wat voor chemische stoffen er worden toegevoegd.’ Bang voor methanol, het giftige bijprodukt van alcoholdestillatie, is hij ook niet. ‘Als je weet wat je doet is er niks aan de hand.’

En inderdaad, opvallend hoge cijfers van vergiftiging zijn er niet in deze streken. Het laatste grote incident van vergitigde rakija in Servië was in 2011. Toen overleden drie mensen door het drinken van… fabrieksrakija. De producent had waarschijnlijk methanol toegevoegd om de drank kunstmatig sterker te maken.

En Miodrag weet wat hij doet. Hij leerde het distillatieproces niet alleen door te kijken hoe zijn vader het deed, hij kan ook de theorie achter het proces uitleggen. Zorgvuldig houdt hij met een groezelige thermometer de temperatuur in de gaten. Af en toe gooit hij een glaasje verse rakija in het vuur om te kijken of er nog genoeg alcohol in zit. De vlammen slaan eruit dus dat zit snor.

Zelfredzaam

In Nederland is dat soort kunde aanwezig bij een kleine groep hobbyisten, maar op de Balkan zijn hele generaties ermee opgegroeid. Miodrag maakt vrijwel alles zelf. Hij heeft geiten voor de yoghurt, zijn druivenoogst verdwijnt in een grote ton wijn waar hij plastic flessen uit tapt wanneer nodig. Een hobby wil hij het niet noemen. ‘Weet je, ik vind dit stoken niet eens leuk’, zegt hij zuchtend. ‘Maar het is een manier van leven. Het is goedkoper én de kwaliteit is beter.’

Servië alleen al telt duizenden van dit soort privéstokerijtjes. Of tienduizenden, niemand die ze heeft geturft. Er is waarschijnlijk geen dorp waar niet minstens één distilleerapparaat staat. Soms bemannen de bewoners ze bij toerbeurt, anderen leveren alleen hun fruit af en laten het stoken aan de expert over. Later komen ze met een houten vaatje langs om het weer op te halen.

 Ik heb tegenwoordig te veel zorgen om mijn rakija te laten rijpen

De drank wordt het beste als je het enkele jaren in zo’n vat laat rijpen. Vorige generaties hebben nog wel vaatjes liggen die twintig jaar zorgvuldig zijn bewaard, maar daar hebben de meeste mensen nu het geduld niet voor. De oogst gaat vaak in één jaar schoon op. ‘Ik heb tegenwoordig te veel zorgen’, grapt een buurman.

Als Servië lid van de Europese Unie wordt, en daar wordt momenteel over onderhandeld, komt er een berg regels over dit soort stokers heen. Nu nog zijn thuisstokers uitgezonderd van regulering, maar de voortekenen zijn dat het niet lang zo zal blijven.

Kroatië is inmiddels EU-lid en heft de laatste jaren alcoholaccijns, ook op kleine stokers. Sommige huisstokers hebben er daarom de brui aan gegeven, andere zijn ‘ondergronds’ gegaan. Servië beraadt zich op een nieuwe wet. Hoe die een onderscheid gaat maken tussen thuisstokers en commerciële rakija moet nog blijken.

Maar Branko Nešić, organisator van het jaarlijkse evenement Rakijafest, denkt niet dat de zelfstokers zich zorgen moeten maken. ‘Dit gaat niet om zelfstoken, maar om concurrentievervalsing. Wie rakija wil verkopen moet zich aan de regels voor verkoop houden. Maar hobbyisten worden ongemoeid gelaten.’

‘EU-lidmaatschap is in ieder geval het einde van de verkoop’, denkt ook Miodrag. Daar ligt hij niet van wakker. Hij verkoopt soms wat flessen als hij een goede oogst heeft, maar dat is kleingeld. Zijn ketel gaat in ieder geval nog niet naar de schroothoop. ‘Ik zal zeker voor mezelf blijven stoken. En af en toe een fles kado doen hier en daar.’

Deze reportage verscheen in 2014 in dagblad Trouw

‘Ik word hier behandeld als afval’

Dit was absoluut niet wat Duncan zich had voorgesteld. Hij neemt me apart om zijn beklag te doen. Hij stinkt en hij weet het. Het is het eerste waar hij zich voor verontschuldigt. ‘Ik heb me niet kunnen wassen. Ik slaap hier in een gat in de grond. En ik word behandeld als een crimineel.’

Duncans pure verontwaardiging werkt ontnuchterend. Hij is echt geschokt. Twee jaar en tien bezoeken aan migranten op de Balkanroute later blijft het me bij. De ervaren illegalen die om hem heen staan zijn het gesol met mensen allang gewend. Ik ben het ook gewend. ‘Wat had je anders verwacht?’

door Joost van Egmond

In 2013 bivakkeerde Joost van Egmond voor het eerst enkele dagen bij het vluchtelingenkamp Bogovađa in Servië, dat in de zomer van 2015 zou uitgroeien tot een knooppunt in de tocht van honderdduizenden vluchtelingen uit Syrië en elders. Dit artikel is een terugblik uit 2015 op dat eerste bezoek. Onder het artikel staat de oorspronkelijke radioreportage uit 2013.

Lees verder »‘Ik word hier behandeld als afval’

In Servië blijft Srebrenica onmogelijk

Dušan Mašić had een simpel idee. Hij wilde op 11 juli 2015, om 11.07 uur, 7000 mensen verzamelen voor het Servische parlement. De zevenduizend staan grofweg symbool voor het aantal slachtoffers van Srebrenica.

Het idee was spontaan, geïnspireerd op een actie in Zagreb voor vermoorde Keniase studenten in april van dat jaar. “Ik zag het en ik dacht ‘waarom kunnen we dit niet doen voor Srebrenica?’”, zegt Mašić, een Servische journalist in Londen. “Er zat geloof ik 60 seconden tusssen dat nieuwsbericht en mijn eerste tweet.”

Door Joost van Egmond

De uitvoering bleek alles behalve simpel. Ook twintig jaar na Srebrenica, na een reeks rechtszaken voor het Joegoslavië-tribunaal, na de identificatie van 6930 van de vermisten, is de controverse over wat er daar gebeurde in Servië nog volop gaande. Mašić werd voor verrader uitgemaakt, sympathisanten van zijn actie werden bedreigd en nationalistische groepen kondigden tegendemonstraties en verstoringen aan.

Op de namiddag voor de herdenking greep de minister van Binnenlandse Zaken naar een algeheel demonstratieverbod. Er mocht op 11 juli helemaal niets worden georganiseerd voor het parlementgebouw.

Herdenken en politiek

#sedamhiljada, zoals de actie heet naar het Servische woord voor zevenduizend, raakte verwikkeld in de politieke discussies die de spanningen rond deze twintigste herdenking ongekend hoog lieten oplopen. Er kwam een Britse ontwerpresolutie in de VN-Veiligheidsraad die Srebrenica als genocide bestempelde. In juni verzocht Servië om de uitlevering van Naser Orić, die in oorlogstijd Bosnische troepen in Srebrenica organiseerde, wegens oorlogsmisdaden tegen Serviërs in de omgeving van de enclave. Het zorgde voor woedende reacties onder vele Bosniërs die Orić als een held beschouwen.

De controverse rond Srebrenica barstte in alle hevigheid los en #sedamhiljada werd een speelbal. “Het idee was om een breed publiek aan te spreken om empathie te tonen voor de slachtoffers van Srebrenica”, zegt Mašić. “Ik wist dat dit hoe dan ook moeilijk ging worden. Ik wist ook dat we het getal zevenduizend nooit zouden halen, maar de politieke ontwikkelingen verkleinden onze kansen verder.”

Het debat werd verder verhit toen de Servische premier Aleksandar Vučić besloot de herdenking in Srebrenica te bezoeken, wat aan beide kanten veel weerstand opriep. Sommigen onder de Bosnische herdenkers verjoegen de Servische premier van de begraafplaats, onder een hagelbui van plastic flessen en stenen. Maar in Servië was de tegenbeweging net zo groot. Een groep studenten organiseerde een petitie om hem te overtuigen weg te blijven. Zij vinden dat Servië met dat gebaar een verzoening op ongelijke voet start en dat er te weinig aandacht is voor Servische slachtoffers van de oorlog.

Waarom komen er geen Bosnische vertegenwoordigers naar de herdenking voor Servische slachtoffers?

“Wij willen dezelfde behandeling voor Servische slachtoffers uit de regio Srebrenica”, zegt organisator Neven Đenadija. “Waarom komen er geen Bosnische vertegenwoordigers naar de herdenking voor Servische slachtoffers? Waarom oefenen de Europese Unie en de Verenigde Staten geen druk op hen uit? En waarom is er geen VN-resolutie voor Servische slachtoffers?” Đenadija bood de petitie aan met 3267 handtekeningen: “Het aantal Serviërs dat is vermoord of vermist in die regio.”

Getallen

De Srebrenicastraat is een klein doorgangetje in het oude centrum van Belgrado. De straat had zijn naam al ruim vóór 1995, maar die heeft een nieuwe lading gekregen. Wie goed kijkt ziet wat cementresten. Enkele dagen voor 11 juli werd hier door de actiegroep Vrouwen in Zwart een klein steentje op de kasseien gemetseld, erop een getal: 8372.

 

De gedenksteen in Srebrenička Ulica werd op woensdag gelegd…

De gedenksteen in Srebrenička Ulica werd op woensdag gelegd…

En donderdagochtend was’ie weg

En donderdagochtend was’ie weg

Het is het aantal slachtoffers volgens de tellling van het Herinneringscentrum in Srebrenica, dat de begraafplaats van de slachtoffers beheert. Daar liggen in stenen gebeiteld de namen van 8372 mannen en jongens die sinds de val van de enclave als vermist zijn opgegeven. Het Belgradose steentje bleek te aanstootgevend, een dag later was het weer verwijderd.

De vraag hoeveel mensen er in Srebrenica precies zijn vermoord is overal nog open, maar in Servië liggen de schattingen stelselmatig lager dan elders. Zevenduizend doden geldt internationaal als een conservatieve schatting, maar niet hier.

Srebrenica is hier genegeerd, gerelativeerd

“Srebrenica is hier genegeerd, gerelativeerd”, zegt Bruno Vekarić, aanklager bij een speciale afdeling van het Servische openbaar ministerie die zich bezig houdt met de vervolging van oorlogsmisdaden. “Ook vandaag vind je nog genoeg experts die zeggen dat het misschien om tweeduizend mensen ging. Terwijl officiële rapporten spreken van zeker 7000 en waarschijnlijk 8000 slachtoffers.” Dat is een getal waar hij mee werkt, maar het is nog niet door een Servische rechtbank bevestigd.

Neven Đenadija, van de petitie, wijst erop dat het Joegoslavië-tribunaal onlangs in een zaak stelde dat aanklagers van 4970 slachtoffers de specifieke omstandigheden van hun moord hadden weten te omschrijven. Dat betekende dat deze verdachte in de veroordeling voor maximaal dat aantal moorden verantwoordelijk kon worden gehouden. “Eén dode is te veel, maar er zijn teveel inconsistenties”, vindt Đenadija.

Het is een discussie die Mašić juist wilde vermijden. “Er is nu eenmaal onduidelijkheid over het precieze aantal slachtoffers. Dat is het resultaat van de manier waarop de misdaad gepleegd is, waarbij de lichamen zijn verborgen. Als we het getal 8372 hadden gekozen hadden we het de afgelopen maanden alleen maar over nummers gehad.”

Dat moeilijke buitenlandse woord

De tweede kwestie die Servië volop bezig houdt is of ‘Srebrenica’ een genocide was. Dat het Bosnisch-Servische leger na de val van Srebrenica oorlogsmisdaden beging, wordt alleen nog door de allerradicaalste nationalisten ontkend. Baanbrekend was een optreden van de Servische president Tomislav Nikolić op de Bosnische televisie, waarin hij vergeving vroeg “voor Servië en de misdaad in Srebrenica”. Maar hij noemde niet het woord dat Bosniërs wilde horen. Zij dachten vooral aan een eerder interview…

“Het was geen genocide”, zei Nikolić in 2012 een dag na zijn inauguratie nadrukkelijk. Hij ging daarmee in tegen vonnissen van internationale rechtbanken en een impliciete erkenning van het Servische parlement zelf. Dat besloot in 2010 een oordeel van het Internationaal Gerechtshof te accepteren, echter zonder het woord genocide zelf te gebruiken.

Nikolić heeft steun in eigen land. Een meerderheid van de Serviërs zegt in opiniepeilingen de misdaden van Srebrenica te verafschuwen, maar zo’n 70 procent weigert het genocide te noemen.

Dat is al jaren een heikel thema, maar de discussie in de Veiligheidsraad maakte het urgent. ‘New York’ domineerde in de week voor de herdennking het nieuws in Servië. Premier Vučić maakte duidelijk dat hij nooit naar Srebrenica zou zijn gegaan voor de herdenking als de Britse ontwerpresolutie niet was geblokkeerd door Rusland.

Desondanks houdt de kritiek op zijn bezoek aan. Voor de studenten rond Đenadija blijft het een impliciete erkenning van genocide en dat is onbespreekbaar. Dat “demoniseert het Servische volk en maakt de Servische slachtoffers van een lagere waarde”, vinden zij.

“Dat moeilijke buitenlandse woord genocide”, verzucht Jasmina Lazović, een activist van het Jeugdinitiatief voor Mensenrechten. “Ik begrijp niet waarom mensen die noodzaak voelen om het debat over het woord genocide te voeren. De creativiteit die wordt gebruikt om het te ontwijken…” Lazović’ organisatie ondersteunt het initiatief van Mašić en ziet met lede ogen aan hoe de actie wordt ontvangen. “De hele discussie, vooral over de VN-resolutie, verziekt het debat. Dit gaat niet langer over de slachtoffers.”

Parallel universum

De organisatoren hielden in de aanloop naar de herdenking al lang rekening met een verbod. Datt is een beproefd recept. Eerder werd de organisatie van een Gay Pride drie maal op rij verboden omdat tegendemonstraties de publieke veiligheid in het geding zouden brengen. Goran Miletić, zowel betrokken bij Gay Pride als bij #sedamhiljada, maakt korte metten met dat argument. “Het heeft niets met technische zaken te maken. De politie kán zoiets beveiligen. De politieke wil ontbreekt alleen.“

“Ik dacht dat dit een manier kon zijn om te laten zien dat er normaliteit bestaat in Servië”, zegt Lazović. “Dat we een duidelijke boodschap konden sturen dat Srebrenica niet in onze naam was. Maar de parallelle universa waarin we leven zijn er nog steeds na twintig jaar. Dat is helaas de situatie in Servië.”

Lazović’ organisatie nodigde die van Đenadija uit voor een debat, maar dat werd afgewezen. “Ze willen niet de waarheid horen”, stelt Đenadija. “Ze luisteren alleen naar de mensen die hen betalen, zoals de Amerikaanse overheidsorganisatie USAID.”

We zijn door de politieke discussie jaren teruggeworpen

Ook Mašić is weinig optimistisch: “Ik heb geen bezwaar tegen het verbod, want dat laat tenminste zien wat de stand van zaken is in Servië in 2015. We zijn door de politieke discussie jaren teruggeworpen. Maar #sedamhiljada heeft zijn belangrijkste doel bereikt. We hebben dit jaar twee maanden gesproken over Srebrenica in plaats van twee dagen.”

Dušan Mašić was in de aanloop naar de herdenking een veelgevraagde gast in talkshows

Dušan Mašić was in de aanloop naar de herdenking een veelgevraagde gast in talkshows

Mašić hoopt dat de discussie op de agenda kan blijven en dat zijn initiatief navolging vindt, ook in Bosnië of Kroatië. “Ik hoopte echt dat, na twintig jaar, iemand dit op zou pikken en iets soortgelijks zou starten voor Servische slachtoffers. Als wij kunnen laten zien dat we meeleven, en andere landen nemen dat over, dan kun je langzaam toewerken naar een herdenking voor alle slachtoffers. Dat is de manier om hier uit te komen.”

Dat zal weerstand blijven oproepen, denkt hij. “Zodra je besluit om de slachtoffers van ‘de andere kant’ te herdenken, zul je direct radicalen en uiterst rechts tegen je krijgen. Maar ik geef om Servië en ik ben bereid mijn bijdrage te leveren. We zullen die empathie moeten opbrengen. Vergelijk het met wonen in een gebouw waar alle buren hun vuilnis uit het raam smijten. Er is geen goede reden om niet als eerste op te houden.”

Een klein dorpje bood moedig weerstand…

De dorpelingen van Ranovac in Oost-Servië slepen de gemeente voor de rechter omdat die een slechte weg heeft laten aanleggen. Da’s in heel veel opzichten de rechtszaak van de eeuw.

  • Door Joost van Egmond

Vilijam Šojić wordt er emotioneel van. “Ik droomde van deze weg”, zegt hij met een blik op de scheuren in het asfalt. Ranovac, een uitgestrekt en spaarzaam bewoond dorp in het oosten van Servië, kreeg een paar jaar geleden de kans op een betere aansluiting op de rest van de wereld: de gemeente stelde voor om een nieuwe, brede weg aan te leggen. Dat betekende sneller en veiliger naar de stad, voor werk, voor de school van de kinderen. Een betere toekomst kortom.

De dorpelingen moesten wel zelf bijdragen. Ze brachten bijna een ton in, op een budget van 370.000 euro. De één een paar honderd euro, de ander een paar duizend. Grote bedragen in een land waar het inkomen per hoofd van de bevolking ongeveer 6000 euro is. Maar ze hadden het er graag voor over.

Het resultaat is er niet naar. De dorpelingen geven graag een rondleiding over de nieuwe weg, die inmiddels al weer op instorten staat. ‘Ik ben in een paar landen geweest’, zegt de bereisde Dragiša Floranović, ‘maar dit kan alleen hier. En met ons geld!’

Verontwaardigd buigen ze zich over de scheuren, terwijl een vrachtwagenchauffeur schouderophalend voorbij rijdt. Hij ziet dit vaker, en ziet niet in wat hij eraan kan veranderen: ‘Dit is nu éénmaal Servië’, luidt de dooddoener.

‘Nederlandse manier’

Dat is waar de bewoners van Ranovac zich onderscheiden. Ze gingen met een fotocamera de weg langs, beschreven iedere scheur en lieten monsters van de weg nemen door een laboratorium voor bouwmaterialen. Met dat hele pakket stapten ze naar de gemeente, en toen die niet thuis gaf, naar de rechter. Da’s revolutionair in Servië.

‘We hebben dit op de Nederlandse manier aangepakt’, grinnikt Vlasta Mladenović, die jarenlang in Nederland woonde. Hij is één van de voorvechters van deze rechtszaak, net zoals hij daarvoor één van de gangmakers was bij de inzamelingsactie om de weg te helpen bouwen. Wat hij wil is dat burgers mondiger worden. Ze moeten zelf actie ondernemen om hun lot te verbeteren en opkomen voor hun rechten. En hij doet het nog ook.

Het levert een bijzonder tafereel op. In de rechtbank in Požarevac draven veertien klagers op, keurig voorbereid. De meesten zijn behoorlijk nerveus, maar ze staan er wél. Ze willen gehoord worden als getuige, alleen is de burgemeester niet aanwezig. ‘Verhinderd’, zegt de advocaat van de gemeente schouderophalend. Burgemeester Radiša Dragojević erkent dat er met deze weg iets mis is, maar noemt het een incident. Grote interesse in de rechtszaak heeft hij kennelijk niet. De zitting wordt door de rechter afgekapt en uitgesteld.

‘Dit is een unieke zaak’

Advocaat Čedomir Stojković:

De advocaat van de klagers, Čedomir Stojković, laat zich er niet door uit het veld slaan. ‘We doen kalm aan’, zegt hij vol zelfvertrouwen. Volgens hem is deze zaak uniek. ‘Hier kan je heel Servië laten zien hoe slecht de controle op het budget is. En hoe je via de rechter de staat kunt dwingen om zijn werk goed te doen.’

Dat kan wel even duren, zoals de rechtszitting weer duidelijk maakt. Door Dragojević’ afwezigheid moeten de klagers drie maanden wachten. Maar Stojković heeft er overduidelijk zin in: ‘Natuurlijk, hoe groter de tegenstander is, hoe beter! Voetbalclub Partizan Belgrado wil ook graag tegen Manchester United spelen.’

‘Ook jouw geld!’

Het gaat hier niet om een specifiek geval van vijf kilometer. In Servië en omringende landen zijn er wel meer wegen waar omwonenden twijfelen of het hele budget wel op de juiste plaats terecht is gekomen. Hoe vaak het precies voorkomt weet niemand, ook al omdat het vaak bij klagen in de kroeg blijft.

Op papier wordt dit soort projecten uitstekend gecontroleerd, zegt Nemanja Nenadić van de Servische afdeling van Transparency, een non-gouvernementele organisatie die strijdt tegen corruptie. ‘Maar de problemen zijn overduidelijk. In sommige gevallen zie je dat werken slecht zijn uitgevoerd, ook al moeten ze zijn goedgekeurd door experts.’

De weg ziet eruit alsof een kind hem weer aan elkaar heeft gelijmd

Een dorp verderop van Ranovac zijn bewoners ook woest. Een man die anoniem wil blijven nodigt me uit een scheur eens goed te bekijken. ‘Hier kun je zien hoe dun het asfalt is.’ Meer dan een centimeter of vier is er inderdaad niet van te maken. Elders zijn scheuren snel dichtgeplakt met bitumen. Reparaties, vinden ze op het gemeentehuis, maar de bewoner is er niet over te spreken: ‘Het is alsof een kind het weer aan elkaar heeft gelijmd’, briest hij.

Ook in deze weg zijn tienduizenden privé-euro’s van bewoners gaan zitten, maar het budget komt ook voor een flink deel van een lening van de Europese Investeringsbank, de bank van de Europese Unie. ‘Het is ook jullie geld’, zegt de anonieme bewoner. ‘Jullie zouden eens moeten komen controleren wat er met jullie én ons geld gebeurt!’

Zelf overweegt hij nog of hij een klacht in wil dienen. Hij hoort Vlasta Mladenović geïnteresseerd uit over zijn ervaringen, maar aarzelt nog of hij hem wil volgen naar de rechtbank. In een ons-kent-ons samenleving als deze zijn mensen beducht om de machtigen voor het hoofd te stoten. ‘Mensen zien machthebbers als iets dat hoger is dan zij zelf’, zegt Vlasta Mladenović.

Ga klagen

Ook in Ranovac is de gang naar de rechter onderwerp van verhit debat. Sommigen vinden een rechtszaak niet ‘het juiste antwoord’, anderen deden mee, maar trokken zich op het laatste moment terug.

Maar de harde kern in Ranovac is die angst voor de autoriteiten voorbij. ‘We zullen doorzetten’, zegt Vilijam Šojić. ‘We kunnen niet meer terug.’ Dorpsgenoot Vlasta Petnjaković heeft besloten een voorbeeld te willen stellen: ‘Dit is geen incident. Dit is gangbare praktijk. Die mensen doen waar ze zin in hebben.’

Je hebt het woord corruptie niet nodig om corruptie te bestrijden — advocaat Čedomir Stojković

Het ligt voor de hand te denken dat in dit soort gevallen corruptie in het spel is, maar zoiets is verschrikkelijk moeilijk te bewijzen. Het is misschien ook niet het belangrijkste. ‘Je hebt het woord corruptie niet nodig om corruptie te bestrijden’, zegt advocaat Stojković. De rechtszaak tegen de gemeente richt zich dan ook op de vraag of de weg al dan niet deugdelijk is aangelegd. Zo ja, dan moet het worden overgedaan, of anders moet het geld terug.

Daar zit volgens Stojković de kracht van deze rechtszaak: ‘Als genoeg mensen op genoeg plaatsen zo’n proces beginnen, dan lossen we het probleem op. Daar hebben we geen buitenlandse hulp voor nodig. Dat kunnen we samen, door onze rechten te gebruiken.’

Nemanja Nenadić van Transparency moedigt ook rechtszaken als deze aan. ‘In dit geval hebben burgers een direct belang. Maar ik vind dat er ook veel ruimere mogelijkheden moeten komen voor burgers om te klagen als werken volledig door de overheid worden gefinancieerd. Daar hebben ze immers ook voor betaald, alleen op een andere manier.’

Joegoslavië: Een prachtland op papier

In één van de galerijen van het Koninklijk Paleis in Belgrado staat een beeld van de Kroatische artiest Ivan Mestrović. Prachtig uitgelicht onder de bogengalerij symboliseert het het optimisme waarmee romantici het nieuwe Koninkrijk van Slovenen, Kroaten en Serviërs begroetten.

mestrovic Mestrović gold in die jaren als de huisbeeldhouwer van koning Aleksandar Karađorđević, ‘de vereniger’ die het paleis liet bouwen. Het nieuwe koninkrijk met de lange naam, dat later zou worden omgedoopt in Joegoslavië, was voor Mestrović een harmonieus samengaan van de Zuid-Slavische volkeren, en bovenal een bevrijding van ‘zijn’ Kroatië van de Oostenrijks-Hongaarse overheersing.

Het was dan ook een koude douche toen premier Milenko Vesnić hem toebeet: ‘Als jullie denken dat we hier allemaal als gelijken staan, dan hebben jullie de situatie nog niet goed begrepen’. Mestrović tekende het voorval op in zijn memoires, inmidddels gedesillusioneerd met Joegoslavië.

Door Joost van Egmond

Dit artikel verscheen in 2014 in dagblad Trouw/De Verdieping als aflevering in een serie over de Eerste Wereldoorlog

Vesnić claimde voor zijn land Servië de overwinning in de oorlog, die ten koste van enorme offers was behaald. Servië was bovendien met Montenegro het enige land dat als zelfstandige staat tot Joegoslavië toetrad. Vesnić zag Servië graag als de bevrijder van de andere volken in Joegoslavië. Maar die bevrijding had een prijs. Servië was wat Vesnić en vele anderen betrof de baas.
Lees verder »Joegoslavië: Een prachtland op papier

Oorlog in je hoofd

Tien jaar na het einde van de oorlogen in voormalig Joegoslavië woedt de strijd in Servië nog in honderdduizenden hoofden. Emotionele problemen zijn dermate wijdverspreid dat niemand aan de gevolgen ontkomt. ‘Deze oorlogen zullen nog een paar generaties voortduren.’

Milan en Dušanka zijn Kroatische Serviërs. Ze vluchtten hals-over-kop naar Servië voor de opmars van het Kroatische leger in 1995. Sindsdien wonen ze in een vluchtelingenkamp. Een barakje van vier bij vier meter doet dienst als keuken, woonkamer en slaapkamer.

Ze spreken voor velen door de laconieke manier waarop ze over hun oorlogservaringen praten. Te veel aandacht maakt hen oncomfortabel. Milan kan anekdotes vertellen, maar zijn gevoelens niet. Dat doet Dušanka voor hem. En andersom, alsof ze tegen elkaar opbieden:

-‘Ze heeft twee zelfmoordpogingen gedaan.’

-‘Hij schreeuwt in zijn slaap en wil er niet over praten.’

Milan: -‘Ik ga vissen, dat is mijn therapeut. We praten hier niet over onze moeilijkheden.’

Foto: Andrej Isakovic

Het beeld van Servische oorlogsveteranen is onherroepelijk gevormd door de rechtszaken voor het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag; fanatieke nationalisten pleegden de grofste oorlogsmisdaden. Wie niet zelf betrokken was bij genocide of ‘etnische zuivering’ heeft toch op zijn minst heel wat uit te leggen. Ze zijn ‘daders’ in de ogen van de wereld. Ook een zachtaardige man als Milan.

Aandacht voor de trauma’s van de honderdduizenden Servische veteranen is daarom zeldzaam, ook in Servië zelf. Het is een olifant in de kamer waar beter over kan worden gezwegen. Stereotype berichten over zelfmoorden en familiedrama’s zijn zo ongeveer alle aandacht die het probleem krijgt.

Milan voldoet in niets aan het typische beeld van de Servische veteraan. Hij was leraar biologie op een middelbare school in Kroatië. Als reservist voor het Joegoslavische leger kwam hij in 1991 in de burgeroorlog terecht. Het leger verliet hij, maar de herinneringen zijn moeilijker af te schudden. De gevechten, het Kroatische interneringskamp waar hij twee maanden vast zat. Hij probeert er gauw een grap van te maken, maar zijn ogen dwalen af.

Onzichtbaar

Nergens in Europa vindt je zoveel mensen met een oorlogstrauma als in het voormalig Joegoslavië. De burgeroorlogen van de jaren negentig brachten miljoenen onder de wapens, en de straatgevechten en etnische zuiveringen lieten ook geen burger ongemoeid. Oorlogstrauma is hier niet iets dat een beperkte groep beroepsmilitairen treft, zoals in Nederland. Het is een integraal onderdeel van de samenleving. En nergens wordt het syndroom zo verwaarloosd als in Servië.

Oorlogstrauma’s zijn bekend geraakt onder de noemer posttraumatische stressstoornis (ptss), een syndroom dat ‘ontdekt’ werd onder Amerikaanse veretanen uit Vietnam. De voornaamste kenmerken zijn het herbeleven van traumatische gebeurtenissen, het vermijden van prikkels die tot zo’n herbeleving kunnen leiden en een algemene overgevoeligheid. Zo’n 15 tot 30 procent van alle oorlogsveteranen lijdt op enig moment aan de aandoening, schat de Wereldgezondheidsorganisatie. Bij velen verdwijnt dit over de jaren, maar volgens een onderzoek van de Servische overheid heeft ruim 8 procent van de veteranen anno 2010 ptss.

Een goede lekendefinitie van ptss is ‘iemand die niet om kan gaan met zijn oorlogservaringen’, zegt Miloš Antić van het Traumacentrum in de stad Novi Sad. De psycholoog leidt dit onafhankelijk instituut, dat in de tien jaar van zijn bestaan een solide band opbouwde met duizenden veteranen en hun families. Jammer genoeg is het ook één van de weinige plaatsen waar veteranen terecht kunnen.

Het gebrek aan hulpverlening maakt de problemen deels onzichtbaar. Hoeveel oorlogsveteranen in Servië moord of zelfmoord plegen, ligt zorgvuldig verstopt in een gebrek aan registratie, maar de cijfers in buurlanden spreken boekdelen. Kroatië telde in de afgelopen vijftien jaar 2100 zelfmoorden van veteranen, in Bosnië waren het er alleen al in de oostelijke stad Tuzla 500. En er is geen enkele reden om aan te nemen dat de getallen voor Servië lager zijn, zegt Antić. Integendeel, Servische veteranen hebben een slechtere maatschappelijke positie dan in buurlanden, wat doet vermoeden dat het er wel eens meer kunnen zijn.

‘De media staan niet op de stoep als een vrouw ons belt dat haar man met een bom in de woonkamer zit, en we weten te voorkomen dat hij zelfmoord pleegt’, zegt Antić. ‘En ze zijn er al helemaal niet als mensen in stilte lijden.’ Hij schat het aantal mensen dat acuut hulp nodig heeft op 500.000, in een land met acht miljoen inwoners.

De lijst met problemen is lang: Werkloosheid, verslaving aan drugs of alcohol, huiselijk geweld. Hun fysieke gezondheid is nadrukkelijk slechter. Of het nu is veroorzaakt door ptss of niet, veteranen scoren in onderzoeken op alle welzijnsfactoren slechter dan de gemiddelde Serviër.

Rehabilitatie van oudstrijders speelt in alle landen die opkrabbelen na een oorlog. Wat Servië tot zo’n speciaal geval maakt is de duizelingwekkende schaal en onbespreekbaarheid van oorlogstrauma’s. Hierdoor legt de veteranenkwestie een enorme hypotheek op de toekomst.

Veteranenland; inwonertal 0

Ljudevit was voor de oorlog forensisch expert bij de Servische politie. Een weinig spannende, wetenschappelijke baan. Tot 1991, toen hij de slag om Kroatische stad Vukovar meemaakte. Het was een van de grootste bloedbaden uit de oorlog. Servische troepen namen de strategische stad bij de grens straat voor straat in, ten koste van duizenden mensenlevens. Leger en paramilitairen konden de stroom lijken niet meer aan en vroegen hulp van de Servische politie. Ljudevit kreeg de order om twee maanden bij te springen bij de identificatie van de slachtoffers.

‘We zagen tientallen lijken per dag, Kroaten en Serviërs. Ieder lichaam is een verhaal, je vindt hun bezittingen en die vormen het verhaal in je hoofd. Op een dag konden we voor een oude man zijn dochter identificeren. Hij groef de fles brandewijn op die hij had bewaard voor haar huwelijk en bood die ons aan. Als ze toch nooit zou trouwen was dit de beste gelegenheid om hem op te drinken, zei hij. Die dingen zijn zwaarder dan het werk zelf.’

Na twee maanden keerde Ljudevit terug met een hel in zijn hoofd. De eerste dag dat hij zich op zijn werk meldde werd hij apart genomen door de man die hem had gestuurd. Hij maakte duidelijk dat deze missie nooit bestaan had. Servië had volgens de officiële lezing niets met de oorlog in Kroatië te maken. Hij was dan ook niet gestuurd en had niets gezien. Dat was dat. Geen handdruk, geen koffie.

Foto: Andrej Isakovic

Volgens de officiële lezing was Ljudevit twee maanden ‘zoek’. Zelfs foto’s, waarop hij in Vukovar te zien is naast de minister van Defensie, hebben die lezing nog niet aan het wankelen kunnen brengen.

Het verhaal van zijn verdwijning is zo potsierlijk dat er even een grijns doorbreekt op zijn sombere gezicht. ‘Zelfs bij de Servische politie kun je niet twee maanden afwezig zijn zonder reden. Waarom hebben ze me niet ontslagen?’

Na zijn terugkeer was Ljudevit twee jaar lang permanent dronken. Hij belandde met ptss in een psychiatrische inrichting. Een baan heeft hij sindsdien niet meer, wel een dagtaak: hij voert al vijftien jaar rechtszaken om erkend te krijgen dat hij in Vukovar heeft gewerkt. Binnenkort roept hij de toenmalige minister van Defensie op als getuige.

Losers’

Servië ontkent het bestaan van gigantische groepen oorlogsveteranen, voornamelijk om politieke redenen. Ze vochten in conflicten waarbij Servië officieel niet betrokken was. Zowel de oorlogen in Kroatië van 1991-1995 en die in Bosnië (1992-1995) werden gevochten via tussenpersonen. Militieleiders, zoals de beruchte Vojislav Šešelj, die wordt berecht door het Joegoslaviëtribunaal in Den Haag, vochten met Servische vrijwilligers. In Bosnië werd een Bosnisch-Servisch leger opgericht, onder leiding van generaal Ratko Mladić. Serviërs die daarvoor vochten, krijgen ook geen erkenning als veteraan. Slechts enkele specifieke ‘manoeuvres’ van het Joegoslavische leger begin jaren negentig hebben het officiële predikaat oorlogshandeling.

Zelfs het conflict in de zuidelijke provincie Kosovo was officieel een politieactie, hoewel er zwaar werd gevochten. Een oorlog werd het volgens de Servische autoriteiten pas toen de NAVO bombardementen uitvoerde boven Servië, in de lente van 1999.

Deze uiterst selectieve berekening brengt het land al op 400.000 veteranen, schat het ministerie van Sociale Zaken. De echte doos van Pandora gaat open wanneer de vrijwilligers in beeld komen. Miloš Antić van het Traumacentrum zucht: ‘Voor ons is een veteraan iemand die tijdens een gewapend conflict een wapen vast hield. Daarvan tellen wij er in Servië vandaag de dag 800.000, oftewel tien procent van de bevolking.’

Deze groep is even divers als hun aantal groot is. Sommigen meldden zich aan uit pure nationalistische overtuiging om de Servische broeders in Kroatië en Bosnië te verdedigen. Anderen waren juist vluchtelingen uit die gebieden, door militieleiders geprest om terug te gaan, soms onder regelrechte marteling. Het grootste deel zat tussen die extremen in. Ze voelden de groepsdruk om zich aan te melden als vrijwilliger, of ontvluchtten werkloosheid. Of ze werden, zoals Ljudevit, klem gezet door hun werkgever.

Wat ze allemaal gemeen hebben is een totaal gebrek aan erkenning sinds hun terugkeer. ‘Het was een nachtmerrie. Ik voelde me het ongeliefde kind, het kind dat je niet meer wilt kennen’, zegt veteraan Ivan.

Antić: ‘Wat we steeds terug zien in sessies met veteranen uit andere landen is het grote verschil in erkenning tussen Servië en de rest. In Kroatië en Bosnië kunnen veteranen praten over hun ervaringen. Hier kunnen ze dat niet.’

Negering door de overheid is slechts de eerste barrière. Veteranen vallen in alle opzichten tussen wal en schip. Progressieve Serviërs hebben nooit iets met de oorlog te maken willen hebben en kunnen geen begrip opbrengen voor strijders van een leger dat zo is besmet door oorlogsmisdaden. En de mensen die zich wel kunnen identificeren met de strijd hebben een ander groot obstakel om te symphatiseren met veteranen: ze hebben de oorlog verloren.

Vladan Beara is psycholoog aan het Traumacentrum en schreef een boek over veteranen. ‘Serviërs hebben een groot probleem om zin te geven aan hun oorlogsinspanningen. Joegoslavië is uiteen gespat, Kosovo is verloren. Alles waar ze voor vochten is weg, en op de koop toe worden ze nagewezen als oorlogsmisdadigers.’

Hij noemt een voorbeeld dat hij meermalen zag in zijn praktijk. ‘Veel veteranen uit de jaren ’90 zijn jaloers op hun grootvader, die erkenning heeft als verzetsstrijder in de Tweede Wereldoorlog. Dan zegt opa doodleuk: ‘Wij hebben de oorlog tenminste gewonnen. Jullie zijn een stel losers.’ Zoiets komt ongelooflijk hard aan.’

Eenzelfde afwijzing treedt op bij progressieven, zegt Beara. Een internationale hulporganisatie wees een paar jaar geleden een verzoek om subsidie van het Traumacentrum af met de woorden ‘veteranen zijn allemaal oorlogsmisdadigers en ze lijden niet half zo zwaar als ze verdienen’.

Het maakt dat Servische veteranen constant in de verdediging zitten, ongeacht hun rol in de oorlog. ‘Eigenlijk heb ik niets slechts gedaan’, zegt forensisch expert Ljudevit met een stem die duidelijk maakt dat hij zichzelf moet overtuigen. De meesten zwijgen het liefst, ze zijn argwanend en lopen op zijn zachtst gezegd niet met hun verleden te koop.

‘Veteranen zijn overtuigd dat ze niet zullen worden begrepen als ze hulp vragen’, zegt psychiater Željko Špirić, verbonden aan de Servische militaire medische academie. ‘Ze ontwijken hun trauma’s omdat ze bang zijn dat de film in hun hoofd weer wordt afgespeeld en ze voelen zich afgewezen. Dat maakt het erg moeilijk ze te bereiken.’

Doorgeven

Toen Ivan zich in 1991 aanmeldde om te vechten in Kroatië bestond de term transgenerationeel trauma niet. Ivan had er wel een: ‘Mijn familie waren echte Joegoslaven, overtuigde antifascisten. Mijn grootvader zat in de Tweede Wereldoorlog bij de partizanen, het communistische verzet. Hij sprak nooit over die periode.’vet1 (3)

‘Toen de oorlog uitbrak, had ik net mijn diploma. De wereld stond voor me open en ik zocht naar een ervaring om mijzelf te leren kennen. Ik vond mijn grootvaders dagboeken en ik las over de strijd tegen de fascisten, en over de Kroatische nazi’s die zijn dorp hadden platgebrand. Ik haalde het in mijn 19-jarige hoofd om dat recht te zetten…’

Het bracht Ivan aan het front bij de Kroatische stad Zadar. Hij wil er over vertellen, dat ziet hij als zijn bijdrage aan de maatschappij, maar het is moeilijk. Hij kijkt er bij weg, naar de muur van het drukke café dat hij voor dit gesprek heeft uitgekozen: ‘Het leek in niets op wat mij had voorgesteld, ik ben mijn illusies kwijtgeraakt.’

Therapeuten zien het onverwerkt verleden als één van de belangrijkste oorzaken van de oorlogen van de jaren ’90. Zoals Ivan waren er velen, en iedere verhandeling over de oorlog verwijst terug naar de Tweede Wereldoorlog.

Waar ontstellend genoeg nauwelijks aandacht voor is, de logische consequentie van deze theorie: dat de veteranen van nu op hun beurt een nieuw trauma hebben om door te geven aan hun kinderen.

‘Kinderen van getraumatiseerde veteranen zijn vaak conservatief, op het radicale af’, zegt Miloš Antić. ‘We zien ook veel gevallen van paranoia onder kinderen, echtgenoten én ouders.’

Een groot probleem bij het doorgeven van trauma is dat er geen wetenschappelijk onderzoek naar is gedaan in Servië. De aanwijzingen stapelen zich op, maar het blijft bij voorbeelden. Volgens Vladan Beara ia het fenomeen ook nauwelijks te meten: ‘Goed, je hebt een getraumatiseerde veteraan. Hij drinkt, slaat zijn familie, heeft wapens in huis. Wat zijn de effecten op zijn kinderen? Op de buren? Het dorp? Op deze manier is op zijn minst de helft van de Servische bevolking betrokken bij de gevolgen van de oorlog. Maar welk effect dat heeft weten we niet.’

Intussen zijn veel van de huidige pubers opgegroeid met de donderwolk van de oorlog boven hun jeugd. Zeker op het platteland komt het geregeld voor dat ze niemand kennen die geen familieleden verloor. Besproken wordt het meestal niet. Het is de donkere kant van de familiegeschiedenis, waar de kinderen naar moeten gissen.

Tekening uit het boek van Boris Djurovic

Tekening uit het boek van Boris Djurovic

Psycholoog Boris Djurović heeft veel met kinderen van veteranen gewerkt: ‘Het is een totale storing in de communicatie tussen een veteraan en zijn familie. Je komt thuis met al die ervaringen, en je kunt ze niet uiten. De familie heeft een volstrekt andere periode doorgemaakt, één die in het teken stond van wachten. Dat gaat niet samen. Zo wordt een veteraan een vreemde voor zijn gezin.’

Djurović probeert de stilte te doorbreken met een kinderboek. Het is het sprookje van een ridder die na de oorlog niet uit zijn harnas kan komen. Voor kinderen is dit een eerste stap om de problemen in hun familie te overdenken en ze bespreekbaar te maken. Er is grote belangstelling voor het boekje, het is zelfs in het Nederlands vertaald en wordt hier gebruikt bij de hulpverlening, maar vooralsnog is de Nederlandstalige oplage groter dan de Servische.

‘We proberen het nu in scholen te introduceren’, zegt Djurovic. ‘Het familietrauma wordt genegeerd, maar het is net zo echt. De oorlog zal zo bezien nog een paar generaties voortduren. De kinderen moeten hier mee leren leven, het een plek leren geven.’

Een getraumatiseerd land

Het is glad ijs, maar kun je zeggen dat Servië een collectief trauma heeft? Zonder in ‘de psyche van het Servische volk’ te treden, zeggen de psychologen die ik sprak dat de oorlogservaring een belangrijke factor is in de Servische samenleving vandaag. Alleen al het aantal betrokken leidt tot die conclusie. Ieder trauma is een individueel geval, maar miljoenen individuele gevallen maken een samenleving.

‘De agressie is overal’, zegt Beara. ‘Van het geweld rond de gay pride parade in Belgrado afgelopen oktober, tot films en muziek. Veel mensen vluchten in radicalisme. Het is een rustgevend, simpel wereldbeeld. Al ons leed is terug te voeren op De Ander. Die is slecht en wij zijn goed. Het probleem is dat De Ander een prima leven lijkt te hebben. Dat leidt tot enorm veel frustratie.’

Die frustratie keert terug in de manier waarop veel Serviërs reageren als het oorlogsverleden ter sprake komt. Met name het proces van toetreding tot de Europese Unie zorgt voor pijnlijke confrontaties. ‘Brussel’ dringt aan op excuses voor Srebrenica, op de arrestatie van Ratko Mladić, op een betere relatie met Kosovo…

Van de spreekwoordelijke taxichauffeur tot politieke leiders, iedereen heeft er moeite mee om deze stappen te nemen. Niet eens zozeer uit ideologische overtuiging, maar omdat velen het gevoel hebben dat ze eruit gepikt worden, terwijl De Ander overal mee weg komt.

‘We gaan er kinderachtig mee om’, vindt Beara. ‘Wat dat betreft is het goed dat we onder druk worden gezet. We zouden die confrontatie het liefst vermijden.’

Toch verergert die buitenlandse druk ook het probleem. Mensen worden gesterkt in hun overtuiging dat Serviërs steeds overal voor opdraaien. Een vluchteling uit Kroatië legde me dat dit voorjaar haarscherp uit, toen het Servische parlement steggelde over een motie om de genocide in Srebrenica te veroordelen. ‘Ik word nu geacht excuses te maken voor Srebrenica, wat een gruwelijke misdaad was. Maar intussen is de dag waarop ik uit Kroatië ben verjaagd daar een nationale feestdag, en dat land staat op de drempel van EU-lidmaatschap. Als wij om erkenning vragen voor ons leed, krijgen we stilte.’

Beara hoort zulke klachten geregeld: ‘Psychologisch is dit een enorme aanslag op iemands gevoel voor rechtvaardigheid. Alle slachtoffers willen erkenning voor wat hen is aangedaan. Dat is extreem belangrijk voor een goede verwerking.’

Mystiek

De enige manier om de cirkel van stilte en frustratie te doorbreken is praten, en dat is nu net het moeilijkste. Dragana probeert dat met haar neefje. Zijn vader, haar broer, werd in 1995 als 21-jarige Kroatische Serviër geronseld en naar het front gestuurd om de Kroatische opmars tegen te houden. Hij sneuvelde in de eerste uren van de gevechten. Waarschijnlijk, want zijn lichaam is nog steeds niet gevonden. Zijn familie en zwangere vriendin vluchtten naar Servië, waar de jongen opgroeit.

‘We hebben hem vanaf het begin de waarheid verteld over zijn vader. Hij moet ermee opgroeien, en er niet ineens op latere leeftijd mee geconfronteerd worden.’ Het blijkt extreem moeilijk. ‘Ik praat hier nooit met anderen over. En hij wil juist met mij over zijn vader praten. Jaren geleden vroeg hij me of zijn vader een slechterik was, want in de film zijn het altijd de slechterikken die dood gaan. Dat soort vragen brengt me een week van slag, en het wordt steeds moeilijker nu hij ouder wordt. Ik ben bang voor wat zijn puberteit gaat brengen.’

Moeilijk als het is, Dragana praat tenminste. Ook Ljudevit en Ivan. Zij gaan voor het Traumacentrum de dialoog aan met jongeren, op scholen en in vrijetijdscentra. Het helpt beide kanten. ‘In zo’n omgeving kan ik erover praten’, zegt Ljudevit. ‘Met mijn familie ben ik nog niet zo ver.’

Ivan: ‘Ik wil mijn verhaal vertellen zonder pretenties, ze een echt beeld geven van hoe een oorlog is. Die pubers willen altijd eerst weten wat voor wapens ik had, of ik Kroaten gedood heb. Die illusies over de onoverwinnelijke strijder komen vaak regelrecht uit de film. Maar verhalen over de pijn van oorlog brengen ze terug naar de realiteit.’

‘Jongere generaties hebben nog steeds een idealistisch beeld van de oorlog’, zegt Miloš Antić. ‘Die mystiek wordt niet doorgeprikt. En dat is waar veteranen een belangrijke constructieve rol kunnen spelen. Je ziet dat de kinderen enorm onder de indruk zijn als ze met een eerlijk verhaal worden geconfronteerd. Dat helpt ze ook weer om met de veteranen in hun eigen familie om te gaan.’

Het dialogenprogramma van het traumacentrum in een succes, vooral door de oprechtheid waarmee veteranen hun verhaal vertellen. ‘Het is als een dokument’, zegt Ivan. ‘Wat die jongeren nodig hebben is informatie. Iedereen die over oorlog praat heeft een grote verantwoordelijkheid. Ik weet nu wat oorlog is, en het is pure stront. Dat wil ik duidelijk maken. Maar veel mensen geloven nog steeds liever in de grote verhalen.’

Die hardnekkige mystiek die nog steeds rond de oorlog hangt, raakt hem diep. Het stemt hem ook weinig optimistisch: ‘Ik heb een volstrekt normale jeugd gehad. Ik groeide niet op in geweld, deze jongens wel. En als wij al in staat waren om deze dingen te doen, hoe gaat het dan zijn voor hen?’

‘Openheid nodig voor verwerking’

Jos Weerts, het hoofd van het Kennis- en onderzoekscentrum van het Nederlandse Veteraneninstituut, heeft trainingen gegeven voor de hulpverlening aan Servische veteranen. De situatie in Servië is interessant als vergelijkingsmateriaal voor de positie van veteranen in Nederland: ‘De psychische problemen zijn heel herkenbaar, die zijn overal dezelfde.’
Het grootste verschil is de verregaande miskenning, zegt Weerts. ‘Het idee dat alle veteranen licht ontvlambare criminelen en oorlogsmisdadigers zijn is in Servië wijdverbreid. Dat is in Nederland gelukkig niet zo. Er moet erkend worden dat veteranen mensen zijn die hun werk hebben gedaan in opdracht van de regering, van de maatschappij, en daar een zekere mate van waardering voor verdienen.’
Toch ziet hij een nadrukkelijke parallel met Nederlandse veteranen uit Indonesië. ‘Ik houd veteranen in Servië altijd voor hoe Indië-veteranen 30 á 40 jaar zonder erkenning leefden, totdat ze zichzelf organiseerden en aandacht vroegen. Die maatschappelijke openheid over het verleden is van groot belang, ook voor de individuele verwerking van de veteranen.’
Dit artikel verscheen in 2011 in een aangepaste versie in Vrij Nederland

En toch waren de ezelballen de beste

Het begon met een kort berichtje in de krant, Blic geloof ik: Wie onttroont de winnaar van vorig jaar op het testikelkookfestival?

Redacties hadden aan één woord genoeg om dit verhaal te willen, dat wist ik van tevoren ook wel. Mijn aarzeling om naar het dorp Ozrem in Servië af te reizen voor de zevende editie van het ballenkookfestival zat ‘m eerder in mijn diepe afkeer van ingewanden eten. Ik doe al een leven lang mijn best om zaken als lever, hersenen en pens te mijden. Soms ontkom je daar beleefdheidshalve niet aan, maar dat is nog iets anders dan willens en wetens naar een ballenkookfestival af te reizen.

De nieuwsgierigheid won het uiteindelijk van de afkeer. Ik kon altijd volstaan met een paar happen voor de beleefdheid. Het telefoontje met organisator Ljubomir Erović was kort en krachtig. De Nederlandse correspondent was hoogst welkom. Als erelid van de jury… Twintig teams zouden een gooi doen naar eeuwige roem en ik mocht alle inzendingen keuren.

Na een stevig ontbijt van droog brood en koffie reed ik naar Ozrem.

‘Bel de dierenarts’

Pakweg tweehonderd mensen zijn neergestreken op het festivalterrein. Tenten met kookpotten staan opgesteld rond een podium waar snoeiharde rockmuziek wordt gespeeld en de drank vloeit rijkelijk. De sfeer heeft wat weg van een alternatief muziekfestival.

Maar waar het om draait is wat er ín de potten zit. Testikels van varkens, stieren en een enkele ezel.

Het recept van de ezelballen

Het recept van de ezelballen

‘Man, ik kan niet geloven dat ik hier een curry van ezelballen maak’, zegt Nikola Vesić glunderend. In het dagelijks leven is hij kok, maar testikels had hij nog nooit bereid. ‘Een vriend van me stelde voor om hier heen te gaan. Ik lachte hem in eerste instantie weg, maar later begon het te knagen. Toen ik me erin verdiepte bleek er een hele rijkdom aan ballenrecepten te bestaan!’

Vaste festivalgangers zijn die ontdekking al ver voorbij. ‘Hoezo vreemd?’ vraagt Zdravko Djurić. ‘Ballen zijn ballen; erg goed vlees en meer niet.’ Drie jaar geleden zorgde hij voor een revelatie door als eerste met struisvogelballen te koken. Het zette een exotische wedloop in gang die in volgende edities ook kangoeroe- en haaientestikels in de pan deed belanden.

Nu houdt Djurić het bij stier. Klassiek en simpel: ‘Ik kom hier vooral voor de vriendschap. Ik heb in de loop der jaren veel kennissen opgedaan en ieder jaar komen we bijeen.’

Testikels eten mag dan in Servië iets gebruikelijker zijn dan in Nederland, het betekent niet dat ze makkelijk te krijgen zijn. Probeer het niet in het slachthuis, want die dieren zijn hun testikels allang kwijt. ‘Ik heb een neef gebeld die dierenarts is’, zegt Vesic. ‘Hij doet geregeld castraties, en hij had nog ezelballen in de vriezer liggen.’

Mannen met ballen

Organisator Erović geeft zelfs hoog op van de relatieve diervriendelijkheid van ballen. De beesten hebben de ingreep overleefd, dat kun je van een karbonade niet zeggen. ‘Alle ballen die we hier eten zijn een bijproduct van castratie’, zegt hij trots. ‘Vroeger was het een delicatesse, nu is het afval. We herstellen hier een traditie in ere.’

Heel erg vindt Erović het niet dat zijn festival is veroordeeld tot de culinaire marge. ‘We krijgen hier volgend jaar vast geen tienduizend bezoekers, en dat is prima. Dit hoort een beetje rebels te zijn.’

Erović is al tijden gefascineerd door het eten van testikels, juist vanwege de vreemde reacties die hij krijgt. Hij is ook niet bang om de grap wat ver door te voeren. Hij noemt het festival Mudstock, een combinatie van het Servische woord voor ballen en muziekfestival Woodstock. Hij reikt certificaten uit aan ‘mannen met ballen’, zoals de kapitein van de Titanic. Hij schreef de kookbijbel Koken met Ballen en is de voorman van de rockgroep de Ballenkookband: ‘Alles begint met ballen’, zegt hij. ‘Ze staan voor moed en wijsheid.’

Juryplicht

Tegen de tijd dat de jury aan de slag moet is er al de nodige drank gevloeid. We worden opgesloten in een keet en de deur gaat op slot. De beraadslagingen zijn strikt vertrouwelijk. Voor ons een lange tafel met een dikke twintig schalen vol kooksels. Een satè van gemarineerde stierenballen, curries en frituur gemengd, compleet met friet en mosterd.

De juryvoorzitter, vuurspuwer en schrijver Anna Wexler, is gelukkig ervaren. Het is haar tweede editie op rij. ‘Ik houd er gewoon van om vreemde dingen te eten’, is haar uitleg. ‘Ik las hierover op het internet en moest en zou erbij zijn. Ik had een voorgevoel dat het volstrekte waanzin zou zijn en dat klopte.’

Testikels smaken opmerkelijk neutraal, ergens tussen kip en tahoe

Dan kom je natuurlijk vanzelf een keer terug. Aarzelend staan we voor de tafel. Mijn suggestie om ieder gerecht punten te geven in de categoriën smaak, presentatie en originaliteit wordt weggewuifd door de andere juryleden. ‘Eet en kies je favoriet’, is de strategie.

Temidden van alle ongein en alcohol hebben de teams wel degelijk serieus gekookt. Testikels smaken opmerkelijk neutraal, ergens tussen kip en tahoe, en ze lenen zich uitstekend voor marinades.

Na een rondje langs de tafel blijf ik staan bij de ezelballencurry, een perfecte stoofpot met een zorgvuldige mix van verschillende kerriesoorten. Wexler en de anderen kiezen de Moussaka met Stier. Ik ben overruled.

Stier? Welke stier?

Als we buiten komen blijkt de winnaar te dronken om zich te herinneren wat precies de ingrediënten waren van Moussaka met Stier. Die mededeling voel ik in mijn maag, al smaakte het prima. Terwijl de overwinning luidruchtig wordt gevierd valt de stroom uit. Dat zet een streep door het optreden van de Ballenkookband. De zevende editie van Mudstock is ten einde.

Ljubomir heb ik nog geregeld gezien. In de kroeg als hij in Belgrado is, maar vaker op tv. Zijn ballenimperium draait goed. Gefascineerde lekkerbekken en journalisten blijven komen, ook nu hij aan zijn twaalfde editie toe is. Maar terug naar Ozrem ben ik niet meer geweest. Zo goed als de ezelballencurry wordt het toch nooit meer.

Het testikelkookfestival is jaarlijks in het laatste weekeind van augustus. Alle informatie op http://www.ballcup.com