protest

Klikrevoluties

Sociale media spelen een cruciale rol in Zuid-Oost Europa als uitlaatklep van burgerlijke onvrede. Waar traditionele media massaal worden gewantrouwd, en de regering nog meer, hebben protestbewegingen zich de afgelopen jaren razendsnel georganiseerd via facebook en soortgelijke netwerken. Wat levert dat op?

Door Joost van Egmond

In juni 2011 werd de Macedonische student Martin Neskovski doodgeschopt. De omstandigheden waren schimmig. Verscheidene getuigen zagen hoe hij op verkiezingsavond wegvluchtte uit een menigte. Even later lag hij levenloos in het park, omringd door agenten.

Aangeslagen getuigen kregen de volgende dag een tweede schok te verwerken: het voorval bestond niet. Volgens het ministerie van Binnenlandse Zaken was er die avond niets noemenswaardig voorgevallen, een dode was er zeker niet te betreuren. Officiële media hulden zich in een oorverdovend stilzwijgen over het incident.

De verontwaardiging daarover verspreidde zich als een virus over sociale media. Niemand wist precies wat er aan de hand was, aanvankelijk hadden veel twitteraars zelfs de naam van het slachtoffer fout, maar dat was nu juist het punt: activisten wilden druk zetten om de toedracht van het voorval boven water te krijgen. Twitter en facebook brachten mensen op de straat, foto’s van die protesten brachten meer mensen op straat en het stilzwijgen rond Neskovski’s dood werd doorbroken.

Het zijn de momenten waarop sociale media op hun best zijn. Waar traditionale media falen in hun informatiefunctie, is er altijd een tweede kans via facebook. Hoewel de demonstranten allerminst tevreden waren, haalden de autoriteiten allicht enigszins bakzeil. De dood van Neskovski werd met horten en stoten erkend, en een agent gaf uiteindelijk zichzelf aan als de dader.

#wanhoop

Het is een patroon dat zich geregeld herhaalt in de hele regio. Onvrede is breed aanwezig. Hoe kan het ook anders. Zuid-Oost-Europa is structureel armer dan de rest van het continent, en de achterstand wordt niet kleiner. Ook in de kwaliteit van het onderwijs loopt de regio zijn achterstand niet in, waardoor een nieuwe generatie weinig perspectief op de arbeidsmarkt heeft. De perceptie van corruptie, de belangrijkste graadmeter van het sociale effect van corruptie, is de hoogste van Europa.

Dat zorgt voor een wantrouwen dat nauwelijks meer weg te nemen is: De schandalen die naar buiten komen versterken het gevoel dat de overheid door en door rot is. Is er eens een keer geen schandaal, dan is iedereen overtuigd dat alles in de doofpot verdwijnt. De media worden ook diep gewantrouwd. Een wijdverbreid gevoel is dat de helft van de journalisten in de zak zit van de regering, en de andere helft te bang is om zich uit te spreken.

In zo’n klimaat zijn facebook en twitter de vluchtheuvels. Zeker voor heel wat jongeren zijn dat de énige media die ze volgen. Het is ook voor protestgroepen vaak de belangrijkste uitlaatklep, die ze een vorm van direct contact biedt met hun publiek. De meeste protestbewegingen beginnen niet als een digitale opstand, maar sociale media hebben wel grote invloed op hun groei.

Deze laagdrempelige media fungeren als megafoon en er hoeft maar weinig te gebeuren om een rel te veroorzaken. Een “dit vind ik leuk”, een retweet, nog ééntje erbij en het nieuws verspreidt zich. Daarop volgt de verontwaardiging. Iemand roept op om “iets” te doen en de volgende dag staan er duizenden mensen op een plein.

Althans, zo gaat het geregeld…

Voor hetzelfde geld was het bij één ludieke actie van zeven jonge ouders gebleven. Ze waren het zat ze dat hun pasgeboren baby niet konden registreren doordat het Bosnische parlement geen wet aannam om die registratie te regelen.

Geen registratie, geen burgerservicenummer en dus ook geen verzekering of paspoort. De dramatische gevolgen werden voor iedereen duidelijk toen een ernstig zieke baby wegens administratieve problemen niet op tijd naar een ziekenhuis in Duitsland kon worden gebracht en overleed.

En dus reden deze zeven vaders naar het parlementsgebouw en parkeerden voor de uitgang om verhaal te halen. “We wilden ons maar eens laten horen”, herinnert Zlatko Abaspahić zich, één van die eerste deelnemers.

De volgende dag waren er een paar duizend mensen. Ze bestormden het parlementsgebouw en gooiden de deuren op slot. De onrust sloeg razendsnel over naar andere steden. De “babolutie” van 2013 was begonnen. Via sociale media was het allemaal op de voet te volgen. Kleine demonstraties konden zich met een paar tweets versmelten tot een grote.

De oersaaie administratieve afkorting voor burgerservicenummer (JMBG) werd plots het aansprekende motto van een politieke beweging. Duizenden en duizenden mensen in binnen-en buitenland lieten zich fotograferen met de tekst #jmbg en stuurden de foto’s rond.

Wekenlang was Bosnië in rep er roer. Een unicum in een land waar burgers zich liefst afzijdig houden van politiek. Klagen in de koffiehuizen was sinds jaar en dag de manier om woede af te reageren over de incompetentie van het bestuur. Nu vonden ze een andere weg. “Dit is de eerste keer in twintig jaar dat mensen hun angst laten varen en hun onvrede tonen”, zei Aldin Arnautović, een columnist en demonstrant, trots.

Het onmiddellijke doel werd behaald, net als bij de protesten over Neskovski’s dood in Macedonië. Dat bleek een gemengde zegen voor de beweging. Nadat het burgerregister weer op orde was, was de angel uit de protesten gehaald. De fopspeen, het symbool van de “babolutie” van 2013, was waardeloos geworden.

In Bosnië trad de rust weer in, tot de volgende opstand, ruim een half jaar later, die weer éénzelfde stormachtige opkomst en ondergang vertoonde. Zo ging het ook met corruptieprotesten in Kroatië en Slovenië, demonstraties tegen goudwinning in Roemenië, tegen een internetbelasting in Hongarije of tegen vervuild afval in Albanië…

Klik je woede weg

Sinds de ‘Arabische lente’ zijn sociale media-revoluties een hype. Wat slaagt, wordt toegeschreven aan nieuwe media, en de vele protestbewegingen die floppen, daar horen we in de eerste plaats al nooit over.

Het lijkt er soms bijna op dat dit soort protestbewegingen zijn succes te danken heeft aan sociale media. Je zou vergeten dat verreweg de meest geslaagde burgeropstand in deze regio de demonstraties tegen de socialistische dictatuur in 1989 waren. Vóórdat zelfs maar email of mobiele telefonie waren doorgedrongen. In vergelijking daarmee is het succes van de digitale bewegingen matig.

Dat komt voor een deel juist door het karakter van die sociale media. Facebookrevoluties zijn net zo vluchtig als facebookstatussen zelf. Mensen kunnen in een seconde een gemeenschappelijke interesse vinden. Als een idee echt populair wordt, zal er zeker iemand opstaan die oppert bijeen te komen op dat-en-dat plein. De verbinding met de straat is gelegd en de magische megafoon van sociale media kan zijn werk doen. Foto’s van menigtes brengen nieuwe menigtes op de been en voor je het weet heb je een opstand, vaak tot verbazing van de initiatiefnemers zelf.

Het medium heeft een paar aantrekkelijke voordelen die gemaakt lijken te zijn voor de situatie in Oost-Europa. Zo’n beweging heeft geen leiders nodig en geen concreet programma. Clicks krijg je door vaag te blijven en zoveel mogelijk mensen aan te spreken, niet door concreet te worden. “#jmbg!” was één van de succesvolste slogans van de laatste jaren. Andere waren “Sarajevo in opstand” of “Wij hebben genoeg van jullie”.

Op die manier kan een grote groep worden bereikt die door ervaring cynisch is geworden over politiek. Traditionele politieke hervormingsbewegingen gaan hier doorgaans ten onder aan controverses rond hun leider, of gekibbel over de details van het politieke programma. Die problemen worden met de simpele, egalitaire organisatie van sociale media omzeild.

Maar die kracht is ook de zwakte. “Verzet per smartphone” is zó weer gebroken. Door een strategische knieval van de overheid, of door prozaïscher oorzaken zoals slecht weer, werk- of andere verplichtingen. Het is gewoon niet te doen om een grote menigte lange tijd op de been te houden. En de samenhang en betrouwbaarheid van digitale groepen is extreem zwak. Je weet nooit waar je aan toe bent.

Facebookrevoluties hebben een paar grote voordelen waar iedereen het over heeft, maar de zwaktes zijn onderbelicht, zegt Srđa Popović. Hij was rond de eeuwwisseling één van de initiatiefnemers van de geweldloze opstand tegen de Servische dictator Slobodan Milošević. Tegenwoordig leidt hij het Centrum voor Toegepaste Geweldloze Actie en Strategie CANVAS in Belgrado, dat steun biedt aan (en onderzoek doet naar) protestbewegingen. Hij noemt de fenomenen ‘clicktivisme’ en ‘occupy-isme’ als structurele zwaktes.

De eerste is het idee dat je met een muisklik daadwerkelijk iets bijdraagt: “Ik ken heel veel mensen die via facebook een paar goede doelen per dag aanklikken en het daarbij laten. Je hebt het gevoel dat je iets hebt gedaan. De activistische stoom gaat zogezegd van de ketel.”

Occupy-isme is de obsessie met het vullen van pleinen. Sociale media maken dat gemakkelijker dan ooit en dus kunnen veel sociaal activisten de verleiding niet weerstaan: “Groepen worden supergeobsedeerd door het gemak waarmee ze een massa kunnen bereiken en verwarren dat middel met een doel. Het idee heeft postgevat dat als we met zijn allen op een symbolische plaats gaan staan de chocolaatjes vanzelf uit de lucht komen vallen”, zegt Popović.

“In werkelijkheid is het de laatste tactiek die ik mensen zou aanraden. Het is enorm veeleisend. Je moet de menigte organiseren. Mensen moeten plassen, ze moeten iets te doen hebben… Tegelijkertijd is het niet vaak effectief. Je verspilt de energie van je aanhangers.”

Leercurve

Dat weten activisten in Tuzla al te goed. In februari 2014 was plotseling de boot aan in deze stad in Bosnië. Ontslagen fabrieksarbeiders demonstreerden al jaren tegen de privatisering – volgens hen plundering – van staatsbedrijven, die de meeste fabrieken de kop had gekost. Plots kregen ze gezelschap van duizenden medeburgers. Er waren rellen, een regeringsgebouw ging in brand en even was er de euforie dat er echt iets ging veranderen.

Activist Emin Eminagić weet nog steeds niet hoe het kwam: “We waren nooit overmatig met facebook bezig. We postten gewoon aankondigingen van onze demonstraties. Duizend mensen zegden toe om te komen, vijf stonden er daadwerkelijk. Dat was een ingesleten patroon van jaren. En ineens stonden daar duizenden mensen.”

Die menigte bleef niet. Een paar dagen later stond demonstrant Muhareb Hasić

letterlijk alléén in de regen voor dat uitgebrande regeringskantoor in Tuzla. “We zijn hongerig en woedend”, zei hij vol overtuiging. Half Bosnië was dat volmondig met hem eens, maar op die dag was hij wel de enige die daar in de regen nog stond.

Tuzla deed wel een poging om de protesten concreet te maken en het momentum van de demonstraties te behouden. Snel werd een burgerforum opgericht, waar iedereen voorstellen voor hervormingen kon indienen. Het vond al snel navolging in heel Bosnië.

Bijeenkomsten verliepen verfrissend chaotisch, burgers besprongen enthousiast het podium. De één wilde privatiseringen van staatsbedrijven terugdraaien, een ander pleitte voor een volksomroep, als tegenwicht voor de regeringspropaganda waar hij de publieke omroep van betichtte. Het werd allemaal keurig genotuleerd en gepubliceerd op sociale media. Via internet werden de vergaderingen live door duizenden mensen gevolgd.

De fora wierpen ook vruchten af. Een oproep om een exorbitante bonus voor politiek bestuurders af te schaffen werd prompt gehonoreerd. Maar ondanks, of misschien wel dankzij, dit soort succesjes verloren de burgerfora toch momentum.

Intussen is er weinig veranderd aan de armoede en de woede in Tuzla. Maar de uitgebluste revolutie van vorig jaar heeft Emin Eminagić gesterkt in zijn overtuiging dat je niet teveel moet leunen op sociale media en snelle demonstraties. “Uiteindelijk vervreemdt het je publiek. Sociale media zijn heel handig als je snel iets groots wilt organiseren. Maar op dit moment richten we ons vooral op direct, persoonlijk contact met mensen, zoals werknemers van geprivatiseerde staatsbedrijven die nu op straat staan.”

Eminagić noemt het Tuzla Initiatief, dat ijvert voor een gelijkere verdeling van het budget over de regio’s van Bosnië, als duidelijk voorbeeld van een betere benadering. Een groep voortrekkers heeft een duidelijk plan, met concrete voorstellen, en vraagt er aandacht voor via ‘traditionele’ kanalen: het parlement of de gevestigde pers. Daarná komt het bereiken van een groot publiek. “Strategie komt eerst, dat is eens te meer duidelijk.”

Naijleffect

De regio is inmidddels bezaaid met initiatieven die succesvol waren dankzij sociale media, maar niet op een fundament werden gebouwd. Maar toch kan het zijn dat al die uitgebluste opstanden stukje bij beetje de mentaliteit veranderen.

Dat denkt Balász Gulyás. Hij hielp in oktober vorig jaar in Hongarije het protest organiseren tegen een aangekondigde belasting op internetgebruik. Het bleek een prachtige aanleiding om de onvrede met de autoritaire regering van premier Victor Orbán te bundelen. De grootste manifestatie bracht honderdduizend mensen op de been. De nieuwe belasting ging van tafel, maar daarmee ook de massale animo voor protesten.

Dezer dagen is Gulyás al blij met een paar duizend deelnemers. “Zo’n menigte als in oktober was uniek”, beseft hij. “Maar al die kleinere protesten helpen toch om de publieke stemming te veranderen. Mensen waren verlamd door het idee dat er niets kan worden gedaan tegen Orbán. Dat hebben we doorbroken.” Hij hoopt op een optelsom van kleine acties die mensen klaarstoomt om hun lot in eigen handen te nemen.

Iets soortgelijks heeft zich wellicht al voltrokken in Roemenië. Dat land zag jaren van sit-in protesten tegen corrupte politici, tegen de winning van goud of schaliegas. Of tegen niets in het bijzonder.

Duizenden mensen lieten zich fotograferen met een stuk karton met de boodschap “Wij hebben genoeg van jullie” – inclusief, in een spontane ingeving, uw correspondent. De actie was ludiek, vrijblijvend en juist bedoeld om nooit meer iets concreets van te horen. Het facebookaccount was na een korte periode van hevige activiteit maandenlang stil.

Maar in oktober vorig jaar vond in Roemenië de tastbare revolte plaats. Honderdduizenden kiezers van wie niemand had gedacht dat ze zouden stemmen, doken plots op bij het stembureau om de kansloos geachte outsider Klaus Iohannis tot president te kiezen.

De omwenteling had veel te danken aan die sociale media. Last minute-oproepen van gewone burgers om ondanks alle pessimisme toch te stemmen bleken plots succesvol. Roemeense expats in Frankrijk namen, in de lange rij voor het sluitende stembureau, een spontane videoboodschap op voor hun landgenoten in de Verenigde Staten waar de stembussen nog open waren. Iohannis zelf was de eerste om het ‘online’ actievoeren als tot geheim van zijn succes te verklaren.

In dit geval kwamen de elementen bij elkaar om de megafoonfunctie van sociale media tot hun recht te laten komen: het langdurige veldwerk van protestgroepen had het publiek rijp gemaakt, en er was een concreet en simpel doel, dat met één gang naar het stembureau te verwezenlijken was.

Dat is wellicht de echte magie van sociale media als actiemiddel: het is geen vervanger voor een solide organisatie, maar in de juiste omstandigheden kunnen een paar tweets daadwerkelijk iets teweeg brengen.

De uitgeholde staat: Nooit meer Dayton

Bosnië fungeert al twintig jaar lang als laboratorium voor het lijmen van een uiteengevallen staat. Twintig jaar na het Daytonakkoord dat een einde maakte aan de Bosnische oorlog moeten we concluderen dat deze lijm niet houdt. 

Over Bosnië is het gemeengoed om te stellen dat het land in transitie is, en dat de wonden van de oorlog nog te vers zijn om te verwachten dat Bosnië als een normaal land functioneert. Die opvatting gaat eraan voorbij dat juist de regelingen van Dayton dat normaal functioneren in de weg staan. Op deze manier kun je wachten tot je een ons weegt.

Door Joost van Egmond

Het laboratoriumexperiment levert wel interessante lessen, niet alleen voor de toekomst van Bosnië, maar ook van al die andere landen waar gepraat wordt over opsplitsing, en vooral over compromissen om een opsplitsing te voorkomen. Je kunt regionale overheden macht geven, maar dat lost niet de kern van het conflict op. Het biedt hooguit een adempauze. Dat kunnen vredestichters in Oekraïne, Kosovo, Syrië en Irak wel noteren. Maar ook in België, Spanje, Schotland kunnen overheden er hun voordeel mee doen. Want hoeveel verschillen er ook zijn tussen landen in oorlog en landen in vrede, deze les is voor iedereen dezelfde.

De Bosnische oplossing

Stel, we onderwerpen België aan de Bosnische oplossing – die is nog maar een kleine stap verder dan het huidige bestel. Het land krijgt dan een duo-premierschap van een Waal en een Vlaming. Vlamingen kiezen de Vlaming, en Walen de Waal – Duitstalige Belgen hebben pech. Als de twee leiders het niet met elkaar eens zijn, ligt de federale regering lam en verschuift de macht richting de deelstaten. Maar we gaan er natuurlijk van uit dat ze gaandeweg steeds beter gaan samenwerken…

Als dit onwaarschijnlijk klinkt, is dat omdat het onwaarschijnlijk is. Juist in België kunnen ze daarover meepraten, maar ook in het Verenigd Koninkrijk of in Spanje, waar meer autonomie voor Schotland en Catalonië werd gevolgd door een grotere roep om afscheiding.

voorstanders van afscheiding worden beloond voor dwarsliggen

Als een staat bevoegdheden afdraagt aan een regionale overheid wordt die regionale overheid sterker ten koste van het centrale gezag. Dat maakt dat centrale gezag dus ook minder relevant voor burgers, die zich steeds meer zullen afvragen of ze het wel nodig hebben. Zeker als de verantwoordelijkheden zo zijn afgebakend dat het centrale gezag staat of valt bij samenwerking van de regio’s. Zo worden voorstanders van afscheiding ‘beloond’ voor dwarsliggen. Dat is wat je in Bosnië zeker de laatste tien jaar heel helder ziet gebeuren. Als de centrale staat niet functioneert, winnen de argumenten voor afscheiding aan kracht. Of dat goed of slecht is, is een ander verhaal. Maar dat het keer op keer zo werkt zou niet moeten verbazen.

Toch is die hoop op toenemende samenwerking precies de gedachte die ten grondslag ligt aan Bosnië zoals we het de afgelopen twintig jaar kennen. De opdeling van het land is extreem. Alles gaat in drievoud. Het bestuur is zorgvuldig opgedeeld om een balans te bewaren tussen Bosnische Serviërs, Bosnische Kroaten en Bošnjaks, ook wel bekend als Moslims met de hoofdletter M, om duidelijk te maken dat het hier eerder om een bevolkingsgroep gaat dan om aanhangers van een geloof. De deling is vastgelegd in het vredesakkoord van Dayton, dat werd ondertekend op 14 december 1995.

Stop de oorlog, wat het ook kost

In het najaar van 1995 was die oplossing logisch. De waanzin van de Bosnische oorlog moest worden gestopt. We hadden drie jaar toegekeken hoe sluipschutters schoten op alles dat bewoog in Sarajevo. Mensen werden mishandeld en vermoord op basis van hun afkomst. We hadden in Srebrenica een genocide op het Europese continent gezien. Een andere prioriteit dan het stoppen van het geweld was nauwelijks denkbaar, laat staan uitvoerbaar.

De vorm van de vrede lag ook voor de hand. Bosnische Serviërs en Bosnische Kroaten hadden het land uiteen getrokken om zoveel mogelijk terrein te winnen en een eigen staat te bouwen. Zij stonden tegenover de mensen die Bosnië bijeen wilden houden. Dat was een diverse groep die steeds meer gedomineerd werd door nationalisten die zich Bošnjaks noemden en in feite de derde grote nationaliteit van Bosnië vormden. Die drie partijen moesten in balans worden gebracht en dat gebeurde.

We konden kiezen tussen een onvolmaakte vrede en hervatting van de oorlog — Richard Holbrooke

De Bosnische Serviërs kregen een eigen deelstaat, met een eigen president. De Bošnjaks en Kroaten vormden samen een federatie. Grenzen werden grillig en onwerkbaar getrokken langs de lijnen van de etnische zuivering uit de oorlog, etniciteiten en deelstaten moesten zoveel mogelijk overlappen. Een lapje grond waarover men het niet eens kon worden werd autonoom.

Bosnië was officieel één land, maar om te kunnen functioneren had het een lange weg te gaan. De architecten van Dayton waren verre van naïef over dat resultaat. De Amerikaanse onderhandelaar Richard Holbrooke onderschreef ten volle de kritiek op de zwaktes van Dayton. Zijn verdediging was simpel: ‘We konden kiezen tussen een onvolmaakte vrede en hervatting van de oorlog.’ Dayton had een oorlog gestopt, maar de transitie naar een normaal land moest nog worden gemaakt. Die transitie is volkomen in het slop geraakt.

Ook ons probleem

Dat is uiteraard in de eerste plaats een probleem van Bosnië zelf. Maar de rol van de ‘internationale gemeenschap’ is meer dan die van een toeschouwer. De Verenigde Staten en de Europese Unie forceerden Dayton, en ze zijn partij in het toezicht op de naleving van het akkoord.

Dayton is de bodem onder Bosnië, maar niet het plafond — Paddy Ashdown

Dayton bracht bijvoorbeeld het ambt van ‘hoge vertegenwoordiger van de internationale gemeenschap’. Een soort gouverneur die namens een groep toezichthoudende landen onwillige politici kan dwingen samen te werken. In de eerste jaren na Dayton had Bosnië heel actieve hoge vertegenwoordigers. Berucht werd de Brit Paddy Ashdown – in functie van 2002 tot 2006 – die met of zonder instemming van Bosnische politici hervormingen doorvoerde om de staat te versterken, zoals de vorming van één leger. “Dayton is de bodem onder Bosnië, maar niet het plafond”, was zijn motto.

Ashdowns hardhandige optreden zorgde voor grote controverse en leverde hem de bijnaam ‘onderkoning van Bosnië’ op. De laatste tien jaar wordt het ambt veel terughoudender ingevuld. Het ontbreekt de toezichthoudende landen aan de politieke wil om Bosnische politici tot de orde te roepen. De huidige hoge vertegenwoordiger, Valentin Inzko, erkent dat het land stil staat. Tijdens een herdenking van Dayton in november riep hij Bosnië op om dezelfde ambitie te tonen die het land in de eerste tien jaar na de vrede zo ver bracht. Maar of hij die ambitie desnoods ook zal afdwingen liet hij in het midden.

Europa en Amerika moeten zich afvragen wat het resultaat is van hun bemoeienis met Bosnië. Als het niet voor Bosnië zelf is, dan op zijn minst om te leren voor toekomstig ingrijpen. Het afdwingen van Dayton brengt verantwoordelijkheid met zich mee.

Onvolmaakte vrede in de praktijk

Holbrooke’s onvolmaakte vrede is twintig jaar later onmiskenbaar. De brede boulevard in het centrum van Sarajevo gold tijdens de oorlog als de ‘sluipschuttersteeg’. Bosnisch Servische troepen schoten vanuit de heuvels op alles dat bewoog. Het Bosnische parlement aan die straat was een uitgebrande ruïne.

Bijna niemand kon zich toen voorstellen dat hier ooit nog afgevaardigden uit alle hoeken van het land bijeen zouden komen. Toch is dat nu het geval. Wie wil kan ook de heuvels in naar Servisch Sarajevo, waar twintig jaar geleden de sluipschutters op wacht lagen. Je steekt de voormalige frontlijn over zonder controles, je betaalt er met dezelfde munteenheid en er gelden globaal dezelfde wetten. Bosnië is in 2015 in veel opzichten één land.

Maar de onvolmaaktheid van de vrede weegt zwaar. Bijeen zijn blijkt iets anders dan samen zijn. Het aantal gevallen waarin Bošnjaks, Serviërs en Kroaten in dat parlement aan de boulevard de afgelopen jaren samenwerkten is op de vingers van één hand te tellen. Waarom zouden ze ook? Het staatsbestel geeft hen macht zolang de tegenstelling tussen de bevolkingsgroepen intact blijft.

Het bestaansrecht van deze politieke vertegenwoordigers is een vermeend groepsbelang binnen de staat, geen algemene belangen als onderwijs, gezondheidszorg of werkgelegenheid. Op die thema’s kunnen Serviërs, Kroaten en Bošnjaks zich niet van elkaar onderscheiden en die sneeuwen dus onder. Het veroorzaakt een permanente bestuurscrisis. Bosniërs worden verstikt onder een dikke laag van bestuurders die zich overal mee bezig houdt, behalve met wat relevant is in het dagelijks leven van burgers. ‘Transitie geslaagd, patiënt overleden’ vatte de rockband Dubioza Kolektiv het samen.

Verenigd in wanhoop

Burgers voelen die crisis. Dat bleek eens te meer in 2013, toen een pietluttig geschil over de status van gemeentes leidde tot grote problemen in de echte wereld. Servische politici zagen in het conflict een kans om Servisch Sarajevo als zelfstandige gemeente op de kaart te zetten. Bošnjakken waren daar mordicus op tegen omdat de ondeelbaarheid van Sarajevo hen heilig is. In de tussentijd lag de gemeentelijke administratie lam, waardoor pasgeboren kinderen niet konden worden geregistreerd en geen gezondheidsverzekering konden krijgen.

Deze crisis liet ook zien dat veel burgers genoeg hebben van hun niet functionerende staat. Een menigte bestormde het parlement en zegde de gehele politieke klasse de wacht aan. Gewapend met kinderwagens blokkeerden ze de straten. Vergelijkbare massale protesten vonden plaats in alle delen van Bosnië. Het bleef ook niet beperkt tot protest tegen de problemen bij het aangeven van babies. Alle onvrede over corruptie en economische en politieke stilstand kwam er uit. ‘Ontslag’, was de slogan. Voor alle politici, zonder aanziens des persoons.

Demonstratie in Banja Luka in de Servische deelrepubliek, juni 2013. Andere vlag, dezelfde klacht (foto: Joost van Egmond)

Demonstratie in Banja Luka in de Servische deelrepubliek, juni 2013. Andere vlag, dezelfde klacht (foto: Joost van Egmond)

Het land bleek verenigd in wanhoop, maar de burgers bleken niet in staat om met één stem te spreken. Dat betekent niet dat de demonstranten zo gesegregeerd zijn. ‘Nationale belangen hebben hier allemaal niets mee te maken”, vertelde een demonstrant in Banja Luka me. ‘Wat wij nodig hebben is een normale regering die zijn werk doet.’ Die klacht was overal dezelfde. Maar ieder deponeerde hem bij zijn ‘eigen’ autoriteiten. Dat is namelijk waar de macht ligt. De Bosnische bevolking heeft niet een loket waar ze kunnen klagen; er zijn er drie.

Don’t mention the war

De gangbare verklaring voor de Bosnische puinhoop is de oorlog. Die ligt nog te vers in het geheugen. Bosnië heeft meer tijd nodig om de oorlog achter zich te laten, heet het. De trauma’s, de angst voor een herhaling staan samenwerking tussen de bevolkingsgroepen in de weg. De oorlog zou Bosnië ook onvergelijkbaar maken met België, Catalonië of Schotland.

Inderdaad is de oorlog nog overal in Bosnië. Je ziet hem in de verloedering van kapotgeschoten gebouwen, in de grote en kleine monumenten die overal zijn opgericht. Je hoort hem terug in de levensverhalen van de mensen die er bij waren en inmiddels ook van jongeren die ruim na de oorlog geboren zijn.

De problemen van het huidige Bosnië zijn absoluut op de oorlog terug te voeren. De krankzinnige gelaagdheid van de overheid, die bestuurlijke verlamming en corruptie in de hand werkt, de strijd op scholen over hoe de inwoners van Bosnië de taal moeten noemen die zij allemaal verstaan. De gevoeligheden zijn overal.

Maar van die vaststelling is het een hele sprong naar de vooronderstelling dat deze barricades zullen verdwijnen door af te wachten. Na twintig jaar zouden er dan toch aanwijzingen moeten zijn dat het iets beter gaat. In plaats daarvan staat de twintigste herdenking van Dayton in het teken van de signalen dat het land alsnog wordt opgedeeld.

Voetbal wijst de weg

Het kan anders. Neem het knulligste aller dossiers: voetbal. Zoals het presidentschap van het land, was ook het voorzitterschap van de voetbalbond opgedeeld tussen een Kroaat, een Serviër en een Bošnjak. Dat bestond al jaren en leek onoverkomelijk. Dreigementen van de voetbalbond Uefa om het Bosnische elftal te schorsen wegens dat verdeelde voorzitterschap konden de bobo’s ook niet bijeen brengen. Maar toen het dreigement éénmaal was uitgevoerd ging het hard. Een normalisatiecomite stelde orde op zaken en een halfjaar later functioneerde de bond. Bosnië haalde overigens prompt het wereldkampioenschap voetbal, hoewel dat meer van doen had met de kwaliteiten van de mensen in het veld dan daarbuiten.

Plotse kordaatheid toonde Bosnië ook in 2010, toen het de kans had gemist om burgers visumvrij te laten reizen naar de Europese Unie omdat de wetten tussen de deelstaten teveel uiteen liepen. Toen de EU een keihard ‘nee’ verkocht werden de bestuurders wakker. De eisen werden in sneltreinvaart ingewilligd en Bosnië slaagde voor de herkansing.

Wachten is geen optie

Bosnië is ver, en de situatie is absurd. Maar het land is geen uniek geval. De situatie daar is niet meer dan de uiterste consequentie van een heel gangbare vorm van compromissen sluiten. Van Catalonië tot Schotland is Europa eraan gewend geraakt om een uitgeholde staat als compromis te zien tussen bijeen blijven en afscheiding. In feite is het hooguit een tijdelijke oplossing.

Wie een land bijeen wil houden, moet zorgen dat het ook kan functioneren. Anders is het wachten op uiteenvallen

Het Bosnisch experiment laat tegelijkertijd de winst en de zwakte zien van zo’n compromis. Het kan een oorlog stoppen en tijd winnen. Maar wanneer er tijdens die onvolmaakte vrede niet serieus werk wordt gemaakt van een herintegratie, zal de staat alleen maar verder worden uitgehold. Wie een land bijeen wil houden, moet zorgen dat het ook kan functioneren en zijn relevantie aan de burgers bewijzen. Anders is het wachten op uiteenvallen.

Dat betekent zeker niet dat het delen van de macht altijd een slecht idee is, maar wel dat alleen het besluit dat een land in naam blijft bestaan niet genoeg is. Het moet lonen om het politieke midden op te zoeken. De machtsdeling in Noord-Ierland is daar een goed voorbeeld van. Separatisten en unionisten zijn daar gedwongen om samen een kabinet te vormen. Doen ze dat niet, dan wordt het land vanuit Londen bestuurd en verliezen ze allen hun macht. Het functioneert verre van perfect, maar zet wel een rem op de voortschrijdende desintegratie die Bosnië nu in zijn greep heeft.

De uitweg voor Bosnië is verre van simpel. Het zal een juiste mix moeten zijn van schijnbaar tegenstrijdige strategiën zoals dwang én eigen verantwoordelijkheid, druk van binnen én van buiten. Maar wat ook de juiste mix is, de huidige strategie van afwachten behoort zeker niet tot de hoofdingrediënten.

Luister hier naar een gesprek met de auteur over twintig jaar Dayton in Met het Oog op Morgen van 13 december 2015