Joegoslavië

In Servië blijft Srebrenica onmogelijk

Dušan Mašić had een simpel idee. Hij wilde op 11 juli 2015, om 11.07 uur, 7000 mensen verzamelen voor het Servische parlement. De zevenduizend staan grofweg symbool voor het aantal slachtoffers van Srebrenica.

Het idee was spontaan, geïnspireerd op een actie in Zagreb voor vermoorde Keniase studenten in april van dat jaar. “Ik zag het en ik dacht ‘waarom kunnen we dit niet doen voor Srebrenica?’”, zegt Mašić, een Servische journalist in Londen. “Er zat geloof ik 60 seconden tusssen dat nieuwsbericht en mijn eerste tweet.”

Door Joost van Egmond

De uitvoering bleek alles behalve simpel. Ook twintig jaar na Srebrenica, na een reeks rechtszaken voor het Joegoslavië-tribunaal, na de identificatie van 6930 van de vermisten, is de controverse over wat er daar gebeurde in Servië nog volop gaande. Mašić werd voor verrader uitgemaakt, sympathisanten van zijn actie werden bedreigd en nationalistische groepen kondigden tegendemonstraties en verstoringen aan.

Op de namiddag voor de herdenking greep de minister van Binnenlandse Zaken naar een algeheel demonstratieverbod. Er mocht op 11 juli helemaal niets worden georganiseerd voor het parlementgebouw.

Herdenken en politiek

#sedamhiljada, zoals de actie heet naar het Servische woord voor zevenduizend, raakte verwikkeld in de politieke discussies die de spanningen rond deze twintigste herdenking ongekend hoog lieten oplopen. Er kwam een Britse ontwerpresolutie in de VN-Veiligheidsraad die Srebrenica als genocide bestempelde. In juni verzocht Servië om de uitlevering van Naser Orić, die in oorlogstijd Bosnische troepen in Srebrenica organiseerde, wegens oorlogsmisdaden tegen Serviërs in de omgeving van de enclave. Het zorgde voor woedende reacties onder vele Bosniërs die Orić als een held beschouwen.

De controverse rond Srebrenica barstte in alle hevigheid los en #sedamhiljada werd een speelbal. “Het idee was om een breed publiek aan te spreken om empathie te tonen voor de slachtoffers van Srebrenica”, zegt Mašić. “Ik wist dat dit hoe dan ook moeilijk ging worden. Ik wist ook dat we het getal zevenduizend nooit zouden halen, maar de politieke ontwikkelingen verkleinden onze kansen verder.”

Het debat werd verder verhit toen de Servische premier Aleksandar Vučić besloot de herdenking in Srebrenica te bezoeken, wat aan beide kanten veel weerstand opriep. Sommigen onder de Bosnische herdenkers verjoegen de Servische premier van de begraafplaats, onder een hagelbui van plastic flessen en stenen. Maar in Servië was de tegenbeweging net zo groot. Een groep studenten organiseerde een petitie om hem te overtuigen weg te blijven. Zij vinden dat Servië met dat gebaar een verzoening op ongelijke voet start en dat er te weinig aandacht is voor Servische slachtoffers van de oorlog.

Waarom komen er geen Bosnische vertegenwoordigers naar de herdenking voor Servische slachtoffers?

“Wij willen dezelfde behandeling voor Servische slachtoffers uit de regio Srebrenica”, zegt organisator Neven Đenadija. “Waarom komen er geen Bosnische vertegenwoordigers naar de herdenking voor Servische slachtoffers? Waarom oefenen de Europese Unie en de Verenigde Staten geen druk op hen uit? En waarom is er geen VN-resolutie voor Servische slachtoffers?” Đenadija bood de petitie aan met 3267 handtekeningen: “Het aantal Serviërs dat is vermoord of vermist in die regio.”

Getallen

De Srebrenicastraat is een klein doorgangetje in het oude centrum van Belgrado. De straat had zijn naam al ruim vóór 1995, maar die heeft een nieuwe lading gekregen. Wie goed kijkt ziet wat cementresten. Enkele dagen voor 11 juli werd hier door de actiegroep Vrouwen in Zwart een klein steentje op de kasseien gemetseld, erop een getal: 8372.

 

De gedenksteen in Srebrenička Ulica werd op woensdag gelegd…

De gedenksteen in Srebrenička Ulica werd op woensdag gelegd…

En donderdagochtend was’ie weg

En donderdagochtend was’ie weg

Het is het aantal slachtoffers volgens de tellling van het Herinneringscentrum in Srebrenica, dat de begraafplaats van de slachtoffers beheert. Daar liggen in stenen gebeiteld de namen van 8372 mannen en jongens die sinds de val van de enclave als vermist zijn opgegeven. Het Belgradose steentje bleek te aanstootgevend, een dag later was het weer verwijderd.

De vraag hoeveel mensen er in Srebrenica precies zijn vermoord is overal nog open, maar in Servië liggen de schattingen stelselmatig lager dan elders. Zevenduizend doden geldt internationaal als een conservatieve schatting, maar niet hier.

Srebrenica is hier genegeerd, gerelativeerd

“Srebrenica is hier genegeerd, gerelativeerd”, zegt Bruno Vekarić, aanklager bij een speciale afdeling van het Servische openbaar ministerie die zich bezig houdt met de vervolging van oorlogsmisdaden. “Ook vandaag vind je nog genoeg experts die zeggen dat het misschien om tweeduizend mensen ging. Terwijl officiële rapporten spreken van zeker 7000 en waarschijnlijk 8000 slachtoffers.” Dat is een getal waar hij mee werkt, maar het is nog niet door een Servische rechtbank bevestigd.

Neven Đenadija, van de petitie, wijst erop dat het Joegoslavië-tribunaal onlangs in een zaak stelde dat aanklagers van 4970 slachtoffers de specifieke omstandigheden van hun moord hadden weten te omschrijven. Dat betekende dat deze verdachte in de veroordeling voor maximaal dat aantal moorden verantwoordelijk kon worden gehouden. “Eén dode is te veel, maar er zijn teveel inconsistenties”, vindt Đenadija.

Het is een discussie die Mašić juist wilde vermijden. “Er is nu eenmaal onduidelijkheid over het precieze aantal slachtoffers. Dat is het resultaat van de manier waarop de misdaad gepleegd is, waarbij de lichamen zijn verborgen. Als we het getal 8372 hadden gekozen hadden we het de afgelopen maanden alleen maar over nummers gehad.”

Dat moeilijke buitenlandse woord

De tweede kwestie die Servië volop bezig houdt is of ‘Srebrenica’ een genocide was. Dat het Bosnisch-Servische leger na de val van Srebrenica oorlogsmisdaden beging, wordt alleen nog door de allerradicaalste nationalisten ontkend. Baanbrekend was een optreden van de Servische president Tomislav Nikolić op de Bosnische televisie, waarin hij vergeving vroeg “voor Servië en de misdaad in Srebrenica”. Maar hij noemde niet het woord dat Bosniërs wilde horen. Zij dachten vooral aan een eerder interview…

“Het was geen genocide”, zei Nikolić in 2012 een dag na zijn inauguratie nadrukkelijk. Hij ging daarmee in tegen vonnissen van internationale rechtbanken en een impliciete erkenning van het Servische parlement zelf. Dat besloot in 2010 een oordeel van het Internationaal Gerechtshof te accepteren, echter zonder het woord genocide zelf te gebruiken.

Nikolić heeft steun in eigen land. Een meerderheid van de Serviërs zegt in opiniepeilingen de misdaden van Srebrenica te verafschuwen, maar zo’n 70 procent weigert het genocide te noemen.

Dat is al jaren een heikel thema, maar de discussie in de Veiligheidsraad maakte het urgent. ‘New York’ domineerde in de week voor de herdennking het nieuws in Servië. Premier Vučić maakte duidelijk dat hij nooit naar Srebrenica zou zijn gegaan voor de herdenking als de Britse ontwerpresolutie niet was geblokkeerd door Rusland.

Desondanks houdt de kritiek op zijn bezoek aan. Voor de studenten rond Đenadija blijft het een impliciete erkenning van genocide en dat is onbespreekbaar. Dat “demoniseert het Servische volk en maakt de Servische slachtoffers van een lagere waarde”, vinden zij.

“Dat moeilijke buitenlandse woord genocide”, verzucht Jasmina Lazović, een activist van het Jeugdinitiatief voor Mensenrechten. “Ik begrijp niet waarom mensen die noodzaak voelen om het debat over het woord genocide te voeren. De creativiteit die wordt gebruikt om het te ontwijken…” Lazović’ organisatie ondersteunt het initiatief van Mašić en ziet met lede ogen aan hoe de actie wordt ontvangen. “De hele discussie, vooral over de VN-resolutie, verziekt het debat. Dit gaat niet langer over de slachtoffers.”

Parallel universum

De organisatoren hielden in de aanloop naar de herdenking al lang rekening met een verbod. Datt is een beproefd recept. Eerder werd de organisatie van een Gay Pride drie maal op rij verboden omdat tegendemonstraties de publieke veiligheid in het geding zouden brengen. Goran Miletić, zowel betrokken bij Gay Pride als bij #sedamhiljada, maakt korte metten met dat argument. “Het heeft niets met technische zaken te maken. De politie kán zoiets beveiligen. De politieke wil ontbreekt alleen.“

“Ik dacht dat dit een manier kon zijn om te laten zien dat er normaliteit bestaat in Servië”, zegt Lazović. “Dat we een duidelijke boodschap konden sturen dat Srebrenica niet in onze naam was. Maar de parallelle universa waarin we leven zijn er nog steeds na twintig jaar. Dat is helaas de situatie in Servië.”

Lazović’ organisatie nodigde die van Đenadija uit voor een debat, maar dat werd afgewezen. “Ze willen niet de waarheid horen”, stelt Đenadija. “Ze luisteren alleen naar de mensen die hen betalen, zoals de Amerikaanse overheidsorganisatie USAID.”

We zijn door de politieke discussie jaren teruggeworpen

Ook Mašić is weinig optimistisch: “Ik heb geen bezwaar tegen het verbod, want dat laat tenminste zien wat de stand van zaken is in Servië in 2015. We zijn door de politieke discussie jaren teruggeworpen. Maar #sedamhiljada heeft zijn belangrijkste doel bereikt. We hebben dit jaar twee maanden gesproken over Srebrenica in plaats van twee dagen.”

Dušan Mašić was in de aanloop naar de herdenking een veelgevraagde gast in talkshows

Dušan Mašić was in de aanloop naar de herdenking een veelgevraagde gast in talkshows

Mašić hoopt dat de discussie op de agenda kan blijven en dat zijn initiatief navolging vindt, ook in Bosnië of Kroatië. “Ik hoopte echt dat, na twintig jaar, iemand dit op zou pikken en iets soortgelijks zou starten voor Servische slachtoffers. Als wij kunnen laten zien dat we meeleven, en andere landen nemen dat over, dan kun je langzaam toewerken naar een herdenking voor alle slachtoffers. Dat is de manier om hier uit te komen.”

Dat zal weerstand blijven oproepen, denkt hij. “Zodra je besluit om de slachtoffers van ‘de andere kant’ te herdenken, zul je direct radicalen en uiterst rechts tegen je krijgen. Maar ik geef om Servië en ik ben bereid mijn bijdrage te leveren. We zullen die empathie moeten opbrengen. Vergelijk het met wonen in een gebouw waar alle buren hun vuilnis uit het raam smijten. Er is geen goede reden om niet als eerste op te houden.”

Joegoslavië: Een prachtland op papier

In één van de galerijen van het Koninklijk Paleis in Belgrado staat een beeld van de Kroatische artiest Ivan Mestrović. Prachtig uitgelicht onder de bogengalerij symboliseert het het optimisme waarmee romantici het nieuwe Koninkrijk van Slovenen, Kroaten en Serviërs begroetten.

mestrovic Mestrović gold in die jaren als de huisbeeldhouwer van koning Aleksandar Karađorđević, ‘de vereniger’ die het paleis liet bouwen. Het nieuwe koninkrijk met de lange naam, dat later zou worden omgedoopt in Joegoslavië, was voor Mestrović een harmonieus samengaan van de Zuid-Slavische volkeren, en bovenal een bevrijding van ‘zijn’ Kroatië van de Oostenrijks-Hongaarse overheersing.

Het was dan ook een koude douche toen premier Milenko Vesnić hem toebeet: ‘Als jullie denken dat we hier allemaal als gelijken staan, dan hebben jullie de situatie nog niet goed begrepen’. Mestrović tekende het voorval op in zijn memoires, inmidddels gedesillusioneerd met Joegoslavië.

Door Joost van Egmond

Dit artikel verscheen in 2014 in dagblad Trouw/De Verdieping als aflevering in een serie over de Eerste Wereldoorlog

Vesnić claimde voor zijn land Servië de overwinning in de oorlog, die ten koste van enorme offers was behaald. Servië was bovendien met Montenegro het enige land dat als zelfstandige staat tot Joegoslavië toetrad. Vesnić zag Servië graag als de bevrijder van de andere volken in Joegoslavië. Maar die bevrijding had een prijs. Servië was wat Vesnić en vele anderen betrof de baas.
Lees verder »Joegoslavië: Een prachtland op papier

Iedereen blijkt een talenwonder

Ooit waren er Joegoslaven, en die vonden dat ze dezelfde taal spraken. Maar met het land is ook de taal uiteengevallen. Bericht uit een kunstmatig Babylon.

  • Door Joost van Egmond

Nee, dit is geen rookreclame, dit is een poging om in één beeld duidelijk te maken wat er zo verknipt is aan de taalstrijd in voormalig Joegoslavië. De bovenste waarschuwing (‘pušenje ubija’) vertelt je in het Bosnisch dat roken doodt. Daaronder volgt een mededeling in een andere taal, het Kroatisch.

Roken doodt zelfs taalpuristen.

En de derde – u kunt er wellicht geen wijs uit worden, maar geloof mij – zegt op het laatste letterteken hetzelfde. Voor Servischtaligen, die vaak het cyrillische alfabet gebruiken om dezelfde klanken te noteren. Ooit dacht iedereen dat deze tekst in het Servo-Kroatisch was, maar dat is grondig uit de mode.

‘Dit is het probleem van Bosnië’, zegt Omer Branković uit Sarajevo terwijl hij het sigarettenpakje omhoog houdt. We zijn zojuist in gesprek geraakt. In het Bosnisch. Of althans, ik spreek de taal die ik heb geleerd in de Servische hoofdstad Belgrado, alwaar ze het Servisch noemen. Dat is aan mijn taalgebruik ook te horen, maar zolang we zeggen dat het Bosnisch is wat ik spreek is er niets aan de hand. Een gebruikelijke beleefdheid als je op bezoek bent in iemands land.

Een Serviër in Bosnië vindt dat weer niet fijn. Die noemt de taal die hij spreekt het liefste Servisch. Met het accent heeft dat weer niets te maken, een geoefend luisteraar hoort juist direct aan het acccent dat hij uit Bosnië komt. Maar geen volk zonder taal, en dus spreekt een Serviër Servisch en een Kroaat Kroatisch, al spreken ze allebei met een accent dat direct hun afkomst uit Bosnië verraadt.

Splintertalen

De talen zijn niet identiek. Daar heeft jarenlange bemoeienis van nationalistische taalpolitie wel voor gezorgd. Stevige verschillen waren er hier en daar altijd al, en die worden uitvergroot en vastgelegd. Inmiddels is ‘kava’ het enige juiste Kroatische woord voor ‘koffie’, terwijl Serviërs steevast ‘kafa’ drinken. Bosniërs drinken dat ook, maar met melk erin wordt het ‘bjela kafa’ en bepaald geen ‘bela kafa’ zoals in Belgrado.

Om niet achter te blijven heeft Montenegro twee letters aan het alfabet toegevoegd. Niet dat stervelingen het verschil kunnen horen, maar als je een lettertype in het Montenegrijns wilt uitbrengen, kun je maar beter zorgen dat de ś en de ź erbij zitten.

Heel wat mensen grappen dat ze plots als polyglot wakker werden en Servisch, Kroatisch, Bosnisch en Montenegrijns spraken

De Montenegrijnse taal heeft sowieso nog veel zielen te winnen. Een paar jaar geleden wees een enquete nog uit dat meer inwoners van het land hun taal als Joegoslavisch of Servisch bestempelden, dan als Montenegrijns. Maar geen nood, het is niet moeilijk te leren. Heel wat mensen grappen dat ze plots als polyglot wakker werden en Servisch, Kroatisch, Bosnisch en Montenegrijns spraken.

Het zijn dan ook bepaald geen verschillen die je wanhopig naar een woordenboek doen grijpen. Je kunt het erop houden dat de talen wederzijds volstrekt begrijpelijk zijn. Voor de vele mensen die elkaar wíllen begrijpen is er dan ook geen taalprobleem. Maar puristen kunnen een hoop herrie trappen.

Suiker heet voortaan suiker

Kroatië staat erop dat Servische films worden ondertiteld in het Kroatisch. Dat is al zoiets als een James Bond met Sean Connery ondertitelen voor Engelsen.

Op producten hier dienen de ingrediënten in alle talen van de regio te worden vermeld. De verdachte van oorlogsmisdaden Vojislav Šešelj klaagt bij het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag als documenten niet voor hem worden vertaald van het Kroatisch in het Servisch.

Vermoeiend is het wel. En kostbaar.

Omer Branković noemt zijn taal het liefst ‘Dobridanski’ (‘goededags’), naar de begroeting – die geheel toevallig natuurlijk – in al deze talen hetzelfde luidt. Een andere praktische manier om gevoeligheden te omzeilen is om het te hebben over ‘onze taal’ (‘Naš’):

– ‘Spreek je onze taal?’

– ‘Ja, ik spreek uw taal een beetje’

Zo kun je lang doorpraten en aftasten wat de geschikte naam is voor de taal waarin je converseert. Totdat iemand als eerste het ijs durft te breken. Ik excuseerde mij laatst in de Kroatische hoofdstad Zagreb bij voorbaat voor mijn beperkte woordenschat door te zeggen dat mijn Kroatisch wat zwakjes was. De reactie: ‘Geen punt, want u spreekt uitstekend Servisch…’

Veel vertalingen zijn vast serieus en respectvol bedoeld, maar werken op de lachspieren

En dan heb je natuurlijk nog de taalrechten van etnische minderheden. Bosnië-Herzegovina is drietalig en houdt daar van sigarettenpakjes tot de notulen van parlementszittingen aan vast. In de Kroatische stad Vukovar kwam het tot rellen toen de Servische minderheid het recht kreeg om gemeentelijke mededelingen in het cyrillische alfabet te lezen. Woedende Kroaten probeerden zelfs een referendum te organiseren om dat tegen te houden.

Veel vertalingen zijn vast serieus en respectvol bedoeld, maar werken op de lachspieren, zoals de drietalige Bosnische website van de Organisatie van Veiligheid en Samenwerking in Europa, waar је zelden een verschil tussen de Servische, Bosnische en Kroatische versie van een bericht kunt ontdekken.

En hoe moet dat straks in de Europese Unie? Kroatië is al lid, en het Kroatisch is een officiële EU-voertaal. Duizenden pagina’s documenten zijn inmiddels in het Kroatisch vertaald. Moet dat straks worden omgezet in Servisch of Bosnisch?

Het ergste is nog dat het allemaal voorspeld is. Zo’n vijfentwintig jaar geleden maakte het komiekencollectief Toplista Nadrealista een beruchte televisiesketch over Joegoslaven die elkaar plots niet meer begrepen. Geleerden hadden ontdekt dat achter accenten waar tot dan toe niemand moeilijk over had gedaan totaal verschillende talen schuil gingen, zoals ‘Montees’ en ‘Negrijns’.

Zelfs voor wie de taal niet beheerst is de tolk op 3.15 minuten van deze clip, die een Herzegovijns sprekende jongen en een Servischtalig meisje elkaar helpt begrijpen nog hilarisch.

Tot je bedenkt dat deze satire allang door de werkelijkheid is overtroffen.

Het gemis van ex-land

Ostalgie vind je overal in Midden- en Oost-Europa, maar de weemoed naar Joegoslavië heeft een dubbele dimensie. Hier wordt niet alleen gerouwd om een systeem, maar om een compleet land dat verloren ging.

– Door Joost van Egmond

Voor Igor is er geen twijfel: ‘Het leven was beter in Joegoslavië.’ Niet dat hij erbij was, hij werd geboren in 1993. Toch tuigt hij zich op in het uniform van de pioniers, de socialistisch-Joegoslavische jeugdclub, om Tito’s sterfdag te herdenken.

Dat doen nog steeds velen met hem. Op symbolische dagen is het druk rond Tito’s mausoleum in Belgrado. Drie generaties herdenken Joegoslavië: de bejaarde oprichters, de babyboomers die er opgroeiden, en de jongeren die het misliepen. Sommigen hebben duidelijke politieke dromen, maar velen komen juist uit pure nostalgie. ‘Titoland was goed’, mijmert een bezoeker die zelf al tientallen jaren in Wenen woont. ‘We hadden allemaal een prettiger leven. Dat mis ik wel.’


Deze tekst werd gepubliceerd in 'Het Oostblokboek. Een reis langs de sporen van het communistische verleden.'

De heimwee naar Joegoslavië is opmerkelijk a-politiek. Joegonostalgie is geen ideologie, het is een breed gedeelde weemoed naar een land dat verdween. Een tentoonstelling over de verworvenheden van het ex-land heet ‘lang leve het leven’. Ze toont vooral plazma-koekjes, zastava-auto’s en sporthelden. En natuurlijk, in een speciale vitrine, een Joegoslavische papoort, waarmee eigenaren naar een ongekend aantal landen visumvrij konden reizen. Dat waren tijden.

Eigen koers

De Socialistische Federale Republiek Joegoslavië is een buitenbeentje in dit boek. Het was van 1945 tot 1989 een socialistische staat, maar stond buiten het Oostblok. Na een korte periode als het meest Stalinistische jongetje van de klas, brak de Joegoslavische leider Tito radicaal met de Sovjet-Unie.

Over de breuk met Stalin is veel gespeculeerd, en de exacte redenen blijven een mysterie. De officiële verklaring was een ideologisch conflict, maar het lijkt erop dat vooral Joegoslavische avonturen om invloed te winnen in Albanië en Griekenland Stalin te ver gingen.

Een botsing van ego’s heeft waarschijnlijk ook een flinke rol gespeeld. In de meeste landen van het Oostblok installeerde Stalin zijn eigen, trouwe marionetten. Tito daarentegen had een eigen machtsbasis, net als Enver Hoxha in buurland Albanië. Zijn communistische verzetsbeweging, de Partizanen, kon claimen Joegoslavië zelf te hebben bevrijd, al droegen zowel de Sovjet-Unie als de westelijke geallieerden daar flink aan bij.

Tito en de communistische partij van Joegoslavië lieten zich in ieder geval niet de wet voorschrijven door Moskou: ‘Tot op zekere hoogte hebben wij een andere vorm van socialisme in ons land’, schreef Tito in een brief aan de kameraden in de Sovjet-Unie. Stalin’s reactie bij het lezen van dergelijke ongehoorde taal is helaas niet bekend, maar de gevolgen laten zich raden: In de zomer van 1948 werd Joegoslavië uit de club van socialistische landen gezet.

Voor velen had Joegoslavië een prima tussenpositie. Bepaald niet perfect, maar toch een heel aardige poging.

Het land voer vanaf dat moment een eigen koers, zowel economisch als politiek. Joegoslavië ging experimenteren met zelfbestuur door de arbeiders, een serieuze mate van democratie vergeleken met de Sovjet-Unie en zijn satellietstaten. Grote collectivisaties werden later weer teruggedraaid.

Dat neemt niet weg dat duizenden tegenstanders van het regime zonder pardon achter de tralies gingen, of erger. Op het eiland Goli Otok in de Adriatische Zee staan nog steeds de barre cellen die Tito reserveerde voor dissidenten, velen van hen aanhangers van Stalin die na de breuk in ongenade vielen. Joegoslavië was zeker een dictatuur. Maar bij buren als Roemenië, Albanië of Bulgarije stak Joegoslavië toch bijna liberaal af.

Dat is ook een beeld dat ex-Joegoslaven vandaag de dag graag willen geloven. Aandacht voor de repressieve kant van het regime is er relatief weinig. Velen herinneren zich vooral een bevoorrechte positie ten opzichte van de buurlanden achter het IJzeren Gordijn. Hongaren en andere Oostblokkers staken de grens over om in Joegoslavië te kopen wat ze thuis niet konden krijgen, te zeggen wat ze thuis niet konden zeggen.

Het westen is in dat beeld vooral ongebreideld kapitalisme, vrijheid zonder zekerheid, ieder voor zich. Joegoslaven kwamen er graag, voor spijkerbroeken, schoenen en andere luxe goederen. Vooral de Italiaanse grensstad Triëste was een geliefde bestemming voor dagtripjes. Maar voor velen had Joegoslavië een prima tussenpositie, het beste van twee werelden. Bepaald niet perfect, maar toch een heel aardige poging.

De ideale mix

Bovendien werd het socialistische experiment overschaduwd door die andere droom: federalisme. Het wegpoetsen van de diverse nationalismes, was belangrijker dan collectivisatie van landbouw of industrie.

Het land werd gebouwd op de ruïnes van het Eerste Joegoslavië, een koninkrijk tussen de Wereldoorlogen, dat de diverse bevolkingsgroepen op de Westelijke Balkan voor het eerst bijeen had gebracht in een staat. Het was geen succes. Het koninkrijk ging ten onder tijdens de Tweede Wereldoorlog, die in Joegoslavië veelal de vorm aannam van een burgeroorlog tussen de nationaliteiten.

De anti-nationalistische les die Tito trok werd een obsessie. De Tweede Wereldoorlog ging de geschiedenisboeken in als een strijd tussen fascisten en anti-fascisten. Jongeren leerden de nationale verschillen te vergeten. Ze werden aangemoedigd Joegoslaven te worden, in éénheid en broederschap, zoals het motto luidde. Joegoslavië schafte het kerstfeest af, deels uit antireligieuze ideologie, maar minstens net zozeer om af te zijn van de kalenderproblemen tussen katholieke Kroaten en orthodoxe Serviërs, die kerstmis twee weken later vieren.

Joegoslavië wilde de perfecte mix zijn. Het kruispunt tussen Oost en West, maar ook tussen Noord en Zuid. Het wierp zich op als voorvechter van het anti-imperialisme. Die ideologie sloeg aan in de periode van dekolonisatie. Leiders van nieuwe staten in het zuiden die zich wilden afwenden van hun voormalige koloniale meesters, maar niet direct de Sovjet-Unie wilden omhelzen, vonden in Joegoslavië een aantrekkelijk voorbeeld van een middenweg.

Joegonostalgie is een passief soort weemoed. Niet iets dat moet worden hersteld of zelfs in ere worden gehouden, maar een herinnering waar je niet te veel kwaad over spreekt.

Tito was een meester in het uitspelen van zijn uitzonderingspositie. Overal haalde hij gunstige voorwaarden binnen, voor handel, voor de kredieten waarop hij Joegoslavië bouwde, voor reizen. Een Joegoslavisch paspoort gold jarenlang als het beste van de wereld.

Niets symboliseert de Joegoslavische droom beter dan de Ongebonden Beweging, een groep landen die de patstelling van de Koude Oorlog wilde verbreken. Tito nam het voortouw, samen met Indonesië’s Sukarno en de Egyptische leider Nasser. Zij richtten de beweging op in Belgrado in 1961. Hun symboliek was revolutionair voor die tijd, en vond sindsdien veel navolging: ze plantten bomen. In het Vriendschapspark in Belgrado staan ze nog, vergezeld van een met mos overgroeid gedenkplaatje.

Of het echte bescheidenheid was of niet, Tito besefte dat je weinig goodwill kweekt met al te openlijke megalomanie. Zijn verjaardag was een nationale feestdag, maar dat was toeval. Het was immers de ‘dag van de jeugd’. Tito droeg de jeugd een warm hart toe, en als dat wederzijds bleek te zijn, des te beter. Maar het moest vooral spontaan lijken.

De viering van 25 mei in 2013. Nog altijd dragen jongeren uit alle delen van voormalig Joegoslavië estafettestokjes naar Belgrado, om daar samen te komen bij het graf van Tito. (foto Joost van Egmond)

Diezelfde ‘bescheidenheid’ keert terug in monumenten. Joegoslavië deed niet aan megastandbeelden van Marx of Lenin. Ook Tito zelf was doorgaans tevreden met een portret in de bestuurskamers, liefst in zijn witte maarschalkspak. Joegoslavië besteedde zijn beton liever aan abstracte monumenten, veelal bedoeld om de lessen van de Tweede Wereldoorlog te onderstrepen.

De meeste van deze kolossen zijn in verval, ze verloren hun relevantie in een radicaal gewijzigd wereldbeeld na 1989. Ze stonden plots op het grondgebied van kleine landen. Staatjes die vooral wilden werken aan hun eigen identiteit, hun eigen geschiedenis. De abstracte monumenten van federale idealen zijn geworden tot de UFO’s waar ze altijd al een beetje op leken.

Weemoed

Joegonostalgie is de opstand tegen tegen de huidige norm van verhokking en chauvinisme in de landen van het voormalige Joegoslavië. Het is een subtiele opstand, mensen registreren zich bij een volkstelling als Joegoslaaf, of instituten als het Joegoslavisch Theater weigeren hun naam te wijzigen. Op de snelweg passeer je plots een met liefde onderhouden authentieke Yugo, met een Sloveense nummerplaat, maar een grote YU-sticker op de bumper.

Het Joegoslavisch theater in Belgrado blijft stug zijn oude naam voeren, ondanks grote druk om zich om te dopen tot Servisch theater.

Het is een passief soort weemoed. Niet iets dat moet worden hersteld of zelfs in ere worden gehouden, maar een herinnering waar je niet te veel kwaad over spreekt. Nergens is ‘Joegoslavisme’ een politieke factor van betekenis. De partijtjes die ijveren voor de heroprichting van Joegoslavië, de Joegofuturisten zoals ze zich noemen, zijn veroordeeld tot de marge.

Dat maakt de weemoed vrij onschuldig. Iedereen mag vrijblijvend meedoen. Over contradicties wordt niet moeilijk gedaan. Nostalgie kan dan ook prima samengaan met het nationalisme dat Tito zo graag wilde wegpoetsen. Hoe fel Serviërs, Kroaten of Kosovo-Albanezen zich ook tegen de andere groep afzetten, zelden richt die woede zich op het Joegoslavië van Tito.

Het is voor een trotse Kroaat heel goed mogelijk mijmerend terug te blikken op de hoge internationale status van Joegoslavië, en te klagen over de plek van Kroatië in de huidige pikorde: ‘Vroeger kwam Sovjet-leider Brezjnjev naar Zagreb, tegenwoordig mogen we blij zijn met een eurocommissaris.’

Heel wat mensen missen het grote land, dat nog wat voorstelde in de wereld. Wie veel reist door de regio krijgt geregeld vragen over de buurlanden: ‘Hoe is het daar nu?’, op de toon waarop je zou vragen hoe het gaat met die voormalige geliefde die je al jaren niet meer gezien hebt.

De herinnering aan socialistisch Joegoslavië wordt bovenal positief gekleurd door wat er vóór- en na kwam: De Tweede Wereldoorlog, en de oorlogen van de jaren negentig. Tussen die periodes van bloedvergieten wordt Titoland herinnerd als een periode van stabiliteit en vooruitgang. En misschien zelfs, ondanks alle bezwaren, van eenheid en broederschap.