Essay

De EU faalt langs de Balkanroute

Het EU-beleid over de Balkanroute is uitgedraaid op vluchtelingenpingpong. Oppervlakkige lapmiddelen worden als robuuste regelingen gepresenteerd, terwijl vooraf duidelijk is dat ze nooit het beoogde effect zullen hebben. Een paar dingen die u moet weten over de Balkanroute.

  • Door Joost van Egmond

De vluchtelingen in de Balkanlanden komen uit de EU

Dat leren kinderen in de brugklas, maar voor de oudere generatie is dat nog een beetje nieuw. Wie vanuit Turkije richting Europa reist moet door Bulgarije (EU-lid sinds 2007) of door Griekenland (EU-lid sinds 1981). Vrijwel iedereen kiest momenteel voor Griekenland, en dat land is niet alleen EU-lid, maar ook lid van de Schengengroep van gemeenschappelijke buitengrenzen. Dat is belangrijk om te onthouden.

Schengen is een afspraak om de gezamenlijke buitengrenzen maar één keer te controleren. Landen hebben nog tal van eigen regeltjes, maar de slagbomen en paspoortcontroles zijn verplaatst naar de buitengrenzen van die Schengenzone. Als bijvoorbeeld Nederland dus een beleid wil voeren wie wel en niet over die grens mogen stappen, moet het dat doen in samenwerking met buitengrenslanden als Griekenland. Dat land doet de controles voor ons, en wij hebben afgesproken daarbij te helpen. Daar zijn ook allerlei organisaties voor zoals Frontex, de Schengengrensbewaker. Om te zorgen dat dat lekker draait is er de Europese Commissie van mijnheer Juncker.

Het is juist de EU die massaal vluchtelingen dumpt bij de buren op de Balkan

Het faalt nogal. De Schengencontroleurs – dus Griekenland namens ons – houden vluchtelingen niet tegen en vangen ze ook niet op. De laatste maanden worden enorme aantallen mensen vanaf de Griekse eilanden per boot naar het vasteland gebracht, vanwaar ze ongehinderd doorlopen naar Macedonië, dat maar moet zien wat het met die mensen doet. De EU “dumpt” dus massaal vluchtelingen bij de buren op de Balkan.

De vluchtelingen in de Balkanlanden willen naar de EU

Macedonië en Servië (kandidaat EU-lid) en Kroatië (EU-lid, maar geen deelnemer in de Schengenzone) krijgen vanuit die Schengenzone dus enkele duizenden vluchtelingen per dag binnen. Die mensen komen daar niet om te blijven. Als ze niet ronduit met bordjes zwaaien waar “Duitsland” op staat, dan stemmen ze wel met hun voeten. In 2014 waren er in Servië 16500 asielaanvragen, maar slechts een fractie daarvan kwam ook daadwerkelijk opdagen bij het eerste gesprek. De meesten waren al doorgewandeld, terug die Schengenzone in, toen nog door Hongarije, tegenwoordig via Slovenië.

De opvang van asielzoekers in de regio is dan ook erg matig. Als opvangcentra vol zitten slapen mensen buiten in het bos. Maar ook veel mensen die wel een plek binnen krijgen, met een bed en wat te eten, vertrekken na verloop van tijd. Ze hebben nu eenmaal een andere reisbestemming. Wat je daar ook van vindt, het is niet iets dat je kunt negeren als je beleid probeert te maken.

Mijnheer Juncker wil nu 50.000 opvangplaatsen voor vluchtelingen op de Westelijke Balkan. Als het idee is dat mensen daar voor langere tijd blijven, zal hij er een stevig hek omheen moeten zetten.

Wat is doorzwaaien en wie doet dat?

Doorzwaaien is het nieuwe buzzword. Dat is het faciliteren van vluchtelingen op doorreis. Je laat mensen het land in en organiseert vervoer naar de volgende grens waar ze dan het land weer uit kunnen. Mijnheer Juncker wil dat dat ophoudt. Bekende doorzwaaiers zijn Griekenland, vervolgens Macedonië, dan Servië, Kroatië, Slovenië en Oostenrijk. Zo komen mensen met honderdduizenden in Duitsland aan.

Het enige land in Zuid-Oost-Europa dat niet doorzwaait is Hongarije. Dat land timmert hard aan een hek, wat mijnheer Juncker ook maar niks vindt.

Het gekke aan de nieuwe obsessie met doorzwaaien is dat er zo weinig smaken overblijven die dan wél goed zijn. Je kunt lang discussiëren over hoe gemakkelijk of moeilijk je een reis moet maken, maar dat verandert niets aan de opties. Als een vluchteling aan de grens staat kun je echt maar drie dingen doen: Je laat hem binnen of niet, en zo ja, dan laat je hem het land weer uit of niet.

Mijnheer Juncker kiest dus voor wel erin, niet eruit. Dat is waar dit verhaal pas echt cynisch wordt. Voor landen als Duitsland of Nederland zou het natuurlijk heel handig zijn als andere landen dichter bij Syrië dat deden, want dan zouden die vluchtelingen niet hier zijn maar daar en dat scheelt ons weer gedoe met opvang regelen.

Als de EU zelf eens stopt met doorzwaaien is er geen vluchteling op de Westelijke Balkan

Dat vinden ze op de Westelijke Balkan nou ook. Als de EU zelf in Griekenland stopt met doorzwaaien is er geen vluchteling op de Westelijke Balkan. Dan bouwen we die 50.000 opvangplaatsen op de Westelijke Balkan ook voor niets.

Die aantallen opvangplaatsen zijn trouwens een mooie indicatie van hoe hard de EU bezig is om de problemen bij anderen te dumpen. Griekenland krijgt 50.000 plekken en de landen verderop langs de route ook. Dat betekent dat de EU zich er dus alvast bij neerlegt dat Schengenland Griekenland zelf evenveel mensen doorzwaait als opvangt. Benieuwd of die rekensom verderop ook gewaardeerd wordt. Of de Westelijke Balkan na het bouwen van 50.000 opvangplaatsen dan ook 50.000 mensen naar Hongarije en Slovenië kan brengen.

Betere coördinatie tussen landen

Die coördinatie, die kan heel veel beter. Landen weten nu niet van elkaar wat ze doen, en regeringen spelen rare spelletjes. Het is natuurlijk vreemd dat Kroatië busladingen vol migranten naar de Hongaarse grens reed en ze aanmoedigde Hongarije binnen te rennen hoewel Hongarije expliciet had aangegeven dat die mensen niet welkom zijn. Het is ook verschrikkelijk dat mensen dagenlang in niemandsland moeten bivakkeren omdat grenzen plotseling dichtgaan, zonder dat het buurland op de hoogte wordt gesteld. Dat kan allicht heel veel beter. Door eens met elkaar te bellen, door niet van grens tot grens te rijden, maar van opvanglokatie tot opvanglokatie en zo nog wel wat dingen.

Dat zal zeker een flink aantal dagelijkse tragedies verlichten. Wellicht kan het zelfs voorkomen, zoals mijnheer Juncker hoopt ‘dat mensen in velden moeten slapen of tot aaan hun nek in het water ijskoude rivieren moeten doorwaden’. Dat zou mooi zijn.

Een tweede effect is dat deze maatregelen de vaart waarmee mensen van Turkije naar Slovenië komen waarschijnlijk vertraagt. Dat geeft een adempauze die de EU kan gebruiken om het werkelijke probleem van de Balkanroute op te lossen. Gaat ze dat doen?

Vluchtelingenpingpong

Dat werkelijke probleem is de Schengenzone van mijnheer Juncker zelf. Die geeft heel veel tegenstrijdige signalen af. Die zwaait mensen in Griekenland door richting Duitsland, maar wil dat andere landen niet doorzwaaien. Die heet vluchtelingen welkom maar bouwt een hek aan de ingang. Vrijwel elke Syrische vluchteling die binnen weet te komen krijgt een vluchtelingenstatus omdat die niet terug naar huis kan, maar tegelijkertijd moeten mensen worden ontmoedigd om op reis te gaan, want het moeten er niet te veel worden. En die reis moet worden verlicht, maar niet dusdanig dat mensen snel op hun bestemming komen. Als de EU zou durven dat probleem te formuleren, kun je hopen dat je de volgende stap kunt maken in plaats van een afleidingsmanoevre.

De EU-Schengenzone is een verdraaide versie van Hotel California: je bent er hartstikke welkom maar je mag er niet in

Merkels Willkommenskultur en Orbans hek kunnen binnen een douaneunie niet naast elkaar bestaan. Het maakt de EU-Schengenzone tot een verdraaide versie van Hotel California: je bent er hartstikke welkom maar je mag er niet in.

En als dat leidt tot chaos voor de ingang geef je de deurmat de schuld.

Lees ook: ‘Ik word hier behandeld als afval’ – het kat- en muisspel aan de buitengrenzen van Europa
Volg Joost van Egmond op Facebook of Twitter

Het gemis van ex-land

Ostalgie vind je overal in Midden- en Oost-Europa, maar de weemoed naar Joegoslavië heeft een dubbele dimensie. Hier wordt niet alleen gerouwd om een systeem, maar om een compleet land dat verloren ging.

– Door Joost van Egmond

Voor Igor is er geen twijfel: ‘Het leven was beter in Joegoslavië.’ Niet dat hij erbij was, hij werd geboren in 1993. Toch tuigt hij zich op in het uniform van de pioniers, de socialistisch-Joegoslavische jeugdclub, om Tito’s sterfdag te herdenken.

Dat doen nog steeds velen met hem. Op symbolische dagen is het druk rond Tito’s mausoleum in Belgrado. Drie generaties herdenken Joegoslavië: de bejaarde oprichters, de babyboomers die er opgroeiden, en de jongeren die het misliepen. Sommigen hebben duidelijke politieke dromen, maar velen komen juist uit pure nostalgie. ‘Titoland was goed’, mijmert een bezoeker die zelf al tientallen jaren in Wenen woont. ‘We hadden allemaal een prettiger leven. Dat mis ik wel.’


Deze tekst werd gepubliceerd in 'Het Oostblokboek. Een reis langs de sporen van het communistische verleden.'

De heimwee naar Joegoslavië is opmerkelijk a-politiek. Joegonostalgie is geen ideologie, het is een breed gedeelde weemoed naar een land dat verdween. Een tentoonstelling over de verworvenheden van het ex-land heet ‘lang leve het leven’. Ze toont vooral plazma-koekjes, zastava-auto’s en sporthelden. En natuurlijk, in een speciale vitrine, een Joegoslavische papoort, waarmee eigenaren naar een ongekend aantal landen visumvrij konden reizen. Dat waren tijden.

Eigen koers

De Socialistische Federale Republiek Joegoslavië is een buitenbeentje in dit boek. Het was van 1945 tot 1989 een socialistische staat, maar stond buiten het Oostblok. Na een korte periode als het meest Stalinistische jongetje van de klas, brak de Joegoslavische leider Tito radicaal met de Sovjet-Unie.

Over de breuk met Stalin is veel gespeculeerd, en de exacte redenen blijven een mysterie. De officiële verklaring was een ideologisch conflict, maar het lijkt erop dat vooral Joegoslavische avonturen om invloed te winnen in Albanië en Griekenland Stalin te ver gingen.

Een botsing van ego’s heeft waarschijnlijk ook een flinke rol gespeeld. In de meeste landen van het Oostblok installeerde Stalin zijn eigen, trouwe marionetten. Tito daarentegen had een eigen machtsbasis, net als Enver Hoxha in buurland Albanië. Zijn communistische verzetsbeweging, de Partizanen, kon claimen Joegoslavië zelf te hebben bevrijd, al droegen zowel de Sovjet-Unie als de westelijke geallieerden daar flink aan bij.

Tito en de communistische partij van Joegoslavië lieten zich in ieder geval niet de wet voorschrijven door Moskou: ‘Tot op zekere hoogte hebben wij een andere vorm van socialisme in ons land’, schreef Tito in een brief aan de kameraden in de Sovjet-Unie. Stalin’s reactie bij het lezen van dergelijke ongehoorde taal is helaas niet bekend, maar de gevolgen laten zich raden: In de zomer van 1948 werd Joegoslavië uit de club van socialistische landen gezet.

Voor velen had Joegoslavië een prima tussenpositie. Bepaald niet perfect, maar toch een heel aardige poging.

Het land voer vanaf dat moment een eigen koers, zowel economisch als politiek. Joegoslavië ging experimenteren met zelfbestuur door de arbeiders, een serieuze mate van democratie vergeleken met de Sovjet-Unie en zijn satellietstaten. Grote collectivisaties werden later weer teruggedraaid.

Dat neemt niet weg dat duizenden tegenstanders van het regime zonder pardon achter de tralies gingen, of erger. Op het eiland Goli Otok in de Adriatische Zee staan nog steeds de barre cellen die Tito reserveerde voor dissidenten, velen van hen aanhangers van Stalin die na de breuk in ongenade vielen. Joegoslavië was zeker een dictatuur. Maar bij buren als Roemenië, Albanië of Bulgarije stak Joegoslavië toch bijna liberaal af.

Dat is ook een beeld dat ex-Joegoslaven vandaag de dag graag willen geloven. Aandacht voor de repressieve kant van het regime is er relatief weinig. Velen herinneren zich vooral een bevoorrechte positie ten opzichte van de buurlanden achter het IJzeren Gordijn. Hongaren en andere Oostblokkers staken de grens over om in Joegoslavië te kopen wat ze thuis niet konden krijgen, te zeggen wat ze thuis niet konden zeggen.

Het westen is in dat beeld vooral ongebreideld kapitalisme, vrijheid zonder zekerheid, ieder voor zich. Joegoslaven kwamen er graag, voor spijkerbroeken, schoenen en andere luxe goederen. Vooral de Italiaanse grensstad Triëste was een geliefde bestemming voor dagtripjes. Maar voor velen had Joegoslavië een prima tussenpositie, het beste van twee werelden. Bepaald niet perfect, maar toch een heel aardige poging.

De ideale mix

Bovendien werd het socialistische experiment overschaduwd door die andere droom: federalisme. Het wegpoetsen van de diverse nationalismes, was belangrijker dan collectivisatie van landbouw of industrie.

Het land werd gebouwd op de ruïnes van het Eerste Joegoslavië, een koninkrijk tussen de Wereldoorlogen, dat de diverse bevolkingsgroepen op de Westelijke Balkan voor het eerst bijeen had gebracht in een staat. Het was geen succes. Het koninkrijk ging ten onder tijdens de Tweede Wereldoorlog, die in Joegoslavië veelal de vorm aannam van een burgeroorlog tussen de nationaliteiten.

De anti-nationalistische les die Tito trok werd een obsessie. De Tweede Wereldoorlog ging de geschiedenisboeken in als een strijd tussen fascisten en anti-fascisten. Jongeren leerden de nationale verschillen te vergeten. Ze werden aangemoedigd Joegoslaven te worden, in éénheid en broederschap, zoals het motto luidde. Joegoslavië schafte het kerstfeest af, deels uit antireligieuze ideologie, maar minstens net zozeer om af te zijn van de kalenderproblemen tussen katholieke Kroaten en orthodoxe Serviërs, die kerstmis twee weken later vieren.

Joegoslavië wilde de perfecte mix zijn. Het kruispunt tussen Oost en West, maar ook tussen Noord en Zuid. Het wierp zich op als voorvechter van het anti-imperialisme. Die ideologie sloeg aan in de periode van dekolonisatie. Leiders van nieuwe staten in het zuiden die zich wilden afwenden van hun voormalige koloniale meesters, maar niet direct de Sovjet-Unie wilden omhelzen, vonden in Joegoslavië een aantrekkelijk voorbeeld van een middenweg.

Joegonostalgie is een passief soort weemoed. Niet iets dat moet worden hersteld of zelfs in ere worden gehouden, maar een herinnering waar je niet te veel kwaad over spreekt.

Tito was een meester in het uitspelen van zijn uitzonderingspositie. Overal haalde hij gunstige voorwaarden binnen, voor handel, voor de kredieten waarop hij Joegoslavië bouwde, voor reizen. Een Joegoslavisch paspoort gold jarenlang als het beste van de wereld.

Niets symboliseert de Joegoslavische droom beter dan de Ongebonden Beweging, een groep landen die de patstelling van de Koude Oorlog wilde verbreken. Tito nam het voortouw, samen met Indonesië’s Sukarno en de Egyptische leider Nasser. Zij richtten de beweging op in Belgrado in 1961. Hun symboliek was revolutionair voor die tijd, en vond sindsdien veel navolging: ze plantten bomen. In het Vriendschapspark in Belgrado staan ze nog, vergezeld van een met mos overgroeid gedenkplaatje.

Of het echte bescheidenheid was of niet, Tito besefte dat je weinig goodwill kweekt met al te openlijke megalomanie. Zijn verjaardag was een nationale feestdag, maar dat was toeval. Het was immers de ‘dag van de jeugd’. Tito droeg de jeugd een warm hart toe, en als dat wederzijds bleek te zijn, des te beter. Maar het moest vooral spontaan lijken.

De viering van 25 mei in 2013. Nog altijd dragen jongeren uit alle delen van voormalig Joegoslavië estafettestokjes naar Belgrado, om daar samen te komen bij het graf van Tito. (foto Joost van Egmond)

Diezelfde ‘bescheidenheid’ keert terug in monumenten. Joegoslavië deed niet aan megastandbeelden van Marx of Lenin. Ook Tito zelf was doorgaans tevreden met een portret in de bestuurskamers, liefst in zijn witte maarschalkspak. Joegoslavië besteedde zijn beton liever aan abstracte monumenten, veelal bedoeld om de lessen van de Tweede Wereldoorlog te onderstrepen.

De meeste van deze kolossen zijn in verval, ze verloren hun relevantie in een radicaal gewijzigd wereldbeeld na 1989. Ze stonden plots op het grondgebied van kleine landen. Staatjes die vooral wilden werken aan hun eigen identiteit, hun eigen geschiedenis. De abstracte monumenten van federale idealen zijn geworden tot de UFO’s waar ze altijd al een beetje op leken.

Weemoed

Joegonostalgie is de opstand tegen tegen de huidige norm van verhokking en chauvinisme in de landen van het voormalige Joegoslavië. Het is een subtiele opstand, mensen registreren zich bij een volkstelling als Joegoslaaf, of instituten als het Joegoslavisch Theater weigeren hun naam te wijzigen. Op de snelweg passeer je plots een met liefde onderhouden authentieke Yugo, met een Sloveense nummerplaat, maar een grote YU-sticker op de bumper.

Het Joegoslavisch theater in Belgrado blijft stug zijn oude naam voeren, ondanks grote druk om zich om te dopen tot Servisch theater.

Het is een passief soort weemoed. Niet iets dat moet worden hersteld of zelfs in ere worden gehouden, maar een herinnering waar je niet te veel kwaad over spreekt. Nergens is ‘Joegoslavisme’ een politieke factor van betekenis. De partijtjes die ijveren voor de heroprichting van Joegoslavië, de Joegofuturisten zoals ze zich noemen, zijn veroordeeld tot de marge.

Dat maakt de weemoed vrij onschuldig. Iedereen mag vrijblijvend meedoen. Over contradicties wordt niet moeilijk gedaan. Nostalgie kan dan ook prima samengaan met het nationalisme dat Tito zo graag wilde wegpoetsen. Hoe fel Serviërs, Kroaten of Kosovo-Albanezen zich ook tegen de andere groep afzetten, zelden richt die woede zich op het Joegoslavië van Tito.

Het is voor een trotse Kroaat heel goed mogelijk mijmerend terug te blikken op de hoge internationale status van Joegoslavië, en te klagen over de plek van Kroatië in de huidige pikorde: ‘Vroeger kwam Sovjet-leider Brezjnjev naar Zagreb, tegenwoordig mogen we blij zijn met een eurocommissaris.’

Heel wat mensen missen het grote land, dat nog wat voorstelde in de wereld. Wie veel reist door de regio krijgt geregeld vragen over de buurlanden: ‘Hoe is het daar nu?’, op de toon waarop je zou vragen hoe het gaat met die voormalige geliefde die je al jaren niet meer gezien hebt.

De herinnering aan socialistisch Joegoslavië wordt bovenal positief gekleurd door wat er vóór- en na kwam: De Tweede Wereldoorlog, en de oorlogen van de jaren negentig. Tussen die periodes van bloedvergieten wordt Titoland herinnerd als een periode van stabiliteit en vooruitgang. En misschien zelfs, ondanks alle bezwaren, van eenheid en broederschap.