Bosnië

Kunnen we het dan nu over Nederland hebben?

De veroordeling van de Bosnisch-Servische generaal Mladić voor de genocide in Srebrenica biedt ook Nederland een kans om een hoofdstuk af te sluiten. Maar dat kan alleen als we ons rekenschap durven geven van alle feiten.

Het Joegoslavië-tribunaal heeft Ratko Mladić veroordeeld tot levenslang. De Bosnisch-Servische generaal heeft de genocide op duizenden mannen en jongens in Srebrenica in juli 1995 bedacht en laten uitvoeren, oordeelde de rechter.

Door Joost van Egmond

Daarmee geeft het tribunaal een juridische bevestiging van wat wij allang weten. Mladić was de commandant van het Bosnisch-Servische leger dat het stadje had ingenomen, hij was ter plaatse en deelde bevelen uit. Maar al was de vaststelling van zijn hoofdverantwoordelijkheid een uitgemaakte zaak, die vaststelling is van groot belang. Rechtspraak is in ons gedachtengoed een arbiter die het debat beslecht. Over geschiedenis kan en zal altijd worden gediscussieerd. Maar een welafgewogen vonnis bepaalt, althans voor die aspecten die in de uitspraak zijn behandeld, de feiten, en daarmee de grenzen waarbinnen een redelijke discussie zich afspeelt. In een rechtsstaat hebben alle betrokkenen zich daarbij neer te leggen. Ruimte voor debat zal er altijd zijn, maar geschiedschrijving die direct in tegenspraak is met het rechterlijk eindoordeel noemen we mythe. De veroordeling van Mladić, aangenomen dat die in hoger beroep standhoudt, zal voor altijd een mijlpaal zijn die de hoofdschuldige voor deze massamoord aanwijst.

Closure

Zo’n rechterlijke uitspraak biedt, zoals het in jargon heet, een kans op closure. De erkenning die zoiets biedt aan nabestaanden is groot. Voor juristen is er geen dader zonder misdrijf, voor slachtoffers is dat andersom: de erkenning van het misdrijf voelt vaak pas compleet als er een dader is aangewezen. In principe biedt een veroordeling ook de kans voor de dader om zich bij de feitenvinding neer te leggen, hoewel Mladić met zijn gedrag in de rechtszaal duidelijk maakte dat zoiets van hem niet verwacht hoeft te worden.

Voor de omstanders, het ‘Servische volk’ aan wie Mladić zijn verovering van Srebrenica opdroeg, werkt het aanwijzen van de dader ook bevrijdend. De vele Serviërs die Mladić’ ‘gift’ niet accepteerden hebben een vonnis dat individuele schuld aan de genocide vastlegt, dat hen niet langer ongewild bij een massamoord betrekt. En Mladić’ apologeten worden verder gemarginaliseerd, hun lezing van het gebeurde wordt mythe. Iedereen krijgt een kans om de focus iets verder af te wenden van juli 1995, en meer op de toekomst te richten.

En hoe zit dat met onszelf? Kan Nederland stappen zetten in de verwerking van het trauma van Srebrenica? Als samenleving die zijn leger afvaardigde om de achtduizend mannen en jongens die nu op de begraafplaats in Potočari liggen te beschermen werden we de eerste omstander. Een ellendige positie. Zo moeilijk als het in die situatie was om ‘het goede’ te doen, zo makkelijk is het om achteraf de kritiek te leveren. Kritiek die desondanks toch kwam, en waarmee Nederland al even onbeholpen omging als Dutchbat-commandant Karremans destijds. Zijn ‘I’m the piano player’ echoot nog steeds in de reacties van de Nederlandse staat, en de schuld van Mladić speelt daarbij een allesoverschaduwende rol.

Toen Bert Bakker, in de jaren negentig voorzitter van de parlementaire enquetecommissie naar de val van Srebrenica, drie jaar geleden Nederland opriep zijn verantwoordelijkheid te nemen, kwam de minister van defensie niet veel verder dan ‘laten we niet vergeten dat de vijand van toen, onder leiding van Mladić, de schuldige is’. Ook rond de veroordeling van Mladić op 22 november haastten de toenmalige minister van defensie en de toenmalige premier zich om dit nog eens te benadrukken: de Bosnisch-Servische generaal was de dader.

Zo beschouwd is de veroordeling van Mladić ook voor Nederland een opluchting, een kans op closure. Het bevestigt immers voor eens en voor altijd dit standpunt. De duizenden executies werden verricht onder leiding van Mladić. Maar tegelijkertijd, voor zover deze stelling voor de veroordeling niet al een open deur was, is hij dat nu zeker. Is dit werkelijk alles dat Nederland 22 jaar na Srebrenica over zijn omstandersrol te zeggen heeft?

Mythevorming

Voor closure is meer nodig. Net als dader Mladić, heeft ook omstander Nederland zijn rol voor de rechter moeten verantwoorden. En net zoals dat voor Mladić geldt, heeft ook Nederland zich bij het vonnis neer te leggen. Dat vonnis zegt dat Nederland cruciale, en dodelijke, fouten heeft gemaakt bij het ontruimen van de basis. En wie zijn geschiedenis schrijft in directe tegenspraak met het rechterlijk eindoordeel doet aan mythevorming. Wij komen daar angstwekkend dicht in de buurt.

We ‘konden niets doen om de massamoord te voorkomen”, zo heet het steevast. Zo is het ook vastgelegd in de geschiedenis die we onze kinderen meegeven. De zin komt uit het ‘venster’ op Srebrenica in de canon van de geschiedenis, een lijst onderwerpen die elk schoolkind onderwezen zou moeten krijgen. Wat daar niet staat is de bevinding van de aanklager in de zaak tegen Mladić. Die noemt de eerste ontmoeting tussen Mladić en de Nederlandse commandant Karremans een ‘keerpunt’. De Bosnische Serviërs waren al verrast hoe relatief makkelijk de enclave kon worden ingenomen. Nadat Karremans Mladić had verteld dat hij de instructie had om zich niet langer te verzetten zodat de blauwhelmen en de moslims de enclave veilig konden verlaten wist Mladić dat de VN hem niet verder zou tegenhouden. Vanaf dat moment onstond het plan om de mannen en jongens tussen de 16 en 60 niet alleen te ondervragen maar ze uiteindelijk om te brengen.

In die canon staat ook: “later wordt deze verschrikkelijke waarheid pas duidelijk.”

Vergelijk dat eens met een vonnis van het Hof in Den Haag, dat standhield in cassatie bij de Hoge Raad, het hoogste rechtsorgaan van Nederland waartegen beroep niet mogelijk is:

“Gedurende de periode waarin de vluchtelingen werden weggevoerd, bereikten militairen van Dutchbat op verschillende tijdstippen signalen dat de Bosnische Serviërs misdaden tegen met name de mannelijke vluchtelingen pleegden. Vóór het eind van de middag van 13 juli 1995 was onder meer geconstateerd dat er lijken van vermoorde mannen waren aangetroffen, dat de (weerbare) mannelijke vluchtelingen naar het ‘witte huis’ 300 à 400 meter buiten de compound werden gebracht en daar met fysiek geweld werden ondervraagd, en dat buiten dit huis de bezittingen van de mannelijke vluchtelingen, waaronder hun identiteitspapieren, op een hoop waren gegooid en binnen dit huis moslimmannen verbleven met doodsangst in de ogen.”

En wij, wij gingen door met het wegsturen van mensen die hun toevlucht hadden gezocht op onze militaire basis. Waarom onthouden we dat feit onze kinderen? Waarom vermelden we niet dat de Nederlandse staat door zijn eigen rechter veroordeeld is wegens onrechtmatig handelen, wat de dood van meerdere mensen als gevolg had?

Het enige plausibele antwoord is dat het ons te pijnlijk is. Tegelijkertijd is dat ook de reden om door te blijven duwen op deze open wond. Dat weten we best, want we doen het volop als het gaat om pijnlijke hoofdstukken in de geschiedenis van andere staten. We beginnen het ook te durven als het gaat om de koloniale oorlogen die Nederland zelf twee generaties eerder vocht. Maar we kunnen niet nog veertig jaar wachten. Laten we op zijn minst die fout van onze grootouders niet herhalen.

Refik Hodžić, een van de grootste kenners van het naoorlogse gerechtigheidsproces – of gebrek daaraan – in Bosnië, zei eens dat de rechterlijke uitspraken in de zaken rond Srebrenica uiteindelijk aantonen wat een geweldig land Nederland is. Als ondanks hardnekkig doorprocederen van de Staat, die al zijn macht en kracht tegen de nabestaanden inzet, alsnog de rechterlijke macht van diezelfde staat de feiten laat spreken. Ik sluit me daar graag bij aan. Maar als samenleving zullen we ook ruimhartig gevolg moeten geven aan die uitspraken. Dat doe je niet met een donatie voor een herinneringscentrum op 1500 kilometer van je landsgrens, of met een snoeihard uitonderhandelde schadevergoeding zoals die nabestaanden wiens gelijk al onomkeerbaar is bevestigd kregen, hoewel dat er ook bij hoort. Maar dat doe je bovenal door oprecht te zijn en de feiten vrije doorgang te geven.

Verantwoordelijkheid

Ik wil niet beweren dat de leden van Dutchbat op eigen houtje anders hadden moeten handelen, of dat ze tegen de instructies uit Den Haag in hadden moeten gaan. Wie überhaupt individuen wil vertellen dat zij destijds andere keuzes hadden moeten maken moet tachtig keer nadenken hoe hij zelf in die omstandigheden had gehandeld. Bovendien, het zoeken naar individuele misstappen leidt af van de keten van fouten die er in die julidagen van 1995 zijn gemaakt.

Maar als land kunnen en moeten we die verantwoordelijkheid dragen. Nederland stak zijn hand op toen er vrijwilligers werden gevraagd om de ‘veilige gebieden’ van de Verenigde Naties te beveiligen, Nederland dacht dat te kunnen binnen het gegeven mandaat en Nederland besloot toen de enclave verloren bleek prioriteit te geven aan de evacuatie van de eigen troepen en materieel. Om dat te bereiken werkte Nederland mee aan het ontruimen van de basis, en waren we doof voor de vele signalen dat dit een massamoord mogelijk hielp maken.

Dat is waar Nederland zich voor moet verantwoorden, niet meer en niet minder. Daar kunnen de slachtoffers wellicht iets aan hebben, maar we moeten het bovenal doen voor onszelf. ‘Dit nooit meer’ zouden we hebben geleerd van Srebrenica. Ik betwijfel het. Zover zijn we nog niet. Mensen als Ratko Mladić zullen er altijd zijn, hen wegwensen is een holle gelofte. Waar het om gaat is hoe we hen tegenhouden. ‘Dit nooit meer’ krijgt alleen betekenis als we de verschrikkelijke fouten die we zelf in de hand hadden onder ogen durven te zien en ervan durven te leren.

De dader was Mladić. Dat moeten we inderdaad niet vergeten, en dat is door het Joegoslavië-tribunaal nog eens bevestigd. Maar laten we onze kinderen ook het hele verhaal vertellen. Bied hen de gelegenheid om te leren van de geschiedenis.

Klikrevoluties

Sociale media spelen een cruciale rol in Zuid-Oost Europa als uitlaatklep van burgerlijke onvrede. Waar traditionele media massaal worden gewantrouwd, en de regering nog meer, hebben protestbewegingen zich de afgelopen jaren razendsnel georganiseerd via facebook en soortgelijke netwerken. Wat levert dat op?

Door Joost van Egmond

In juni 2011 werd de Macedonische student Martin Neskovski doodgeschopt. De omstandigheden waren schimmig. Verscheidene getuigen zagen hoe hij op verkiezingsavond wegvluchtte uit een menigte. Even later lag hij levenloos in het park, omringd door agenten.

Aangeslagen getuigen kregen de volgende dag een tweede schok te verwerken: het voorval bestond niet. Volgens het ministerie van Binnenlandse Zaken was er die avond niets noemenswaardig voorgevallen, een dode was er zeker niet te betreuren. Officiële media hulden zich in een oorverdovend stilzwijgen over het incident.

De verontwaardiging daarover verspreidde zich als een virus over sociale media. Niemand wist precies wat er aan de hand was, aanvankelijk hadden veel twitteraars zelfs de naam van het slachtoffer fout, maar dat was nu juist het punt: activisten wilden druk zetten om de toedracht van het voorval boven water te krijgen. Twitter en facebook brachten mensen op de straat, foto’s van die protesten brachten meer mensen op straat en het stilzwijgen rond Neskovski’s dood werd doorbroken.

Het zijn de momenten waarop sociale media op hun best zijn. Waar traditionale media falen in hun informatiefunctie, is er altijd een tweede kans via facebook. Hoewel de demonstranten allerminst tevreden waren, haalden de autoriteiten allicht enigszins bakzeil. De dood van Neskovski werd met horten en stoten erkend, en een agent gaf uiteindelijk zichzelf aan als de dader.

#wanhoop

Het is een patroon dat zich geregeld herhaalt in de hele regio. Onvrede is breed aanwezig. Hoe kan het ook anders. Zuid-Oost-Europa is structureel armer dan de rest van het continent, en de achterstand wordt niet kleiner. Ook in de kwaliteit van het onderwijs loopt de regio zijn achterstand niet in, waardoor een nieuwe generatie weinig perspectief op de arbeidsmarkt heeft. De perceptie van corruptie, de belangrijkste graadmeter van het sociale effect van corruptie, is de hoogste van Europa.

Dat zorgt voor een wantrouwen dat nauwelijks meer weg te nemen is: De schandalen die naar buiten komen versterken het gevoel dat de overheid door en door rot is. Is er eens een keer geen schandaal, dan is iedereen overtuigd dat alles in de doofpot verdwijnt. De media worden ook diep gewantrouwd. Een wijdverbreid gevoel is dat de helft van de journalisten in de zak zit van de regering, en de andere helft te bang is om zich uit te spreken.

In zo’n klimaat zijn facebook en twitter de vluchtheuvels. Zeker voor heel wat jongeren zijn dat de énige media die ze volgen. Het is ook voor protestgroepen vaak de belangrijkste uitlaatklep, die ze een vorm van direct contact biedt met hun publiek. De meeste protestbewegingen beginnen niet als een digitale opstand, maar sociale media hebben wel grote invloed op hun groei.

Deze laagdrempelige media fungeren als megafoon en er hoeft maar weinig te gebeuren om een rel te veroorzaken. Een “dit vind ik leuk”, een retweet, nog ééntje erbij en het nieuws verspreidt zich. Daarop volgt de verontwaardiging. Iemand roept op om “iets” te doen en de volgende dag staan er duizenden mensen op een plein.

Althans, zo gaat het geregeld…

Voor hetzelfde geld was het bij één ludieke actie van zeven jonge ouders gebleven. Ze waren het zat ze dat hun pasgeboren baby niet konden registreren doordat het Bosnische parlement geen wet aannam om die registratie te regelen.

Geen registratie, geen burgerservicenummer en dus ook geen verzekering of paspoort. De dramatische gevolgen werden voor iedereen duidelijk toen een ernstig zieke baby wegens administratieve problemen niet op tijd naar een ziekenhuis in Duitsland kon worden gebracht en overleed.

En dus reden deze zeven vaders naar het parlementsgebouw en parkeerden voor de uitgang om verhaal te halen. “We wilden ons maar eens laten horen”, herinnert Zlatko Abaspahić zich, één van die eerste deelnemers.

De volgende dag waren er een paar duizend mensen. Ze bestormden het parlementsgebouw en gooiden de deuren op slot. De onrust sloeg razendsnel over naar andere steden. De “babolutie” van 2013 was begonnen. Via sociale media was het allemaal op de voet te volgen. Kleine demonstraties konden zich met een paar tweets versmelten tot een grote.

De oersaaie administratieve afkorting voor burgerservicenummer (JMBG) werd plots het aansprekende motto van een politieke beweging. Duizenden en duizenden mensen in binnen-en buitenland lieten zich fotograferen met de tekst #jmbg en stuurden de foto’s rond.

Wekenlang was Bosnië in rep er roer. Een unicum in een land waar burgers zich liefst afzijdig houden van politiek. Klagen in de koffiehuizen was sinds jaar en dag de manier om woede af te reageren over de incompetentie van het bestuur. Nu vonden ze een andere weg. “Dit is de eerste keer in twintig jaar dat mensen hun angst laten varen en hun onvrede tonen”, zei Aldin Arnautović, een columnist en demonstrant, trots.

Het onmiddellijke doel werd behaald, net als bij de protesten over Neskovski’s dood in Macedonië. Dat bleek een gemengde zegen voor de beweging. Nadat het burgerregister weer op orde was, was de angel uit de protesten gehaald. De fopspeen, het symbool van de “babolutie” van 2013, was waardeloos geworden.

In Bosnië trad de rust weer in, tot de volgende opstand, ruim een half jaar later, die weer éénzelfde stormachtige opkomst en ondergang vertoonde. Zo ging het ook met corruptieprotesten in Kroatië en Slovenië, demonstraties tegen goudwinning in Roemenië, tegen een internetbelasting in Hongarije of tegen vervuild afval in Albanië…

Klik je woede weg

Sinds de ‘Arabische lente’ zijn sociale media-revoluties een hype. Wat slaagt, wordt toegeschreven aan nieuwe media, en de vele protestbewegingen die floppen, daar horen we in de eerste plaats al nooit over.

Het lijkt er soms bijna op dat dit soort protestbewegingen zijn succes te danken heeft aan sociale media. Je zou vergeten dat verreweg de meest geslaagde burgeropstand in deze regio de demonstraties tegen de socialistische dictatuur in 1989 waren. Vóórdat zelfs maar email of mobiele telefonie waren doorgedrongen. In vergelijking daarmee is het succes van de digitale bewegingen matig.

Dat komt voor een deel juist door het karakter van die sociale media. Facebookrevoluties zijn net zo vluchtig als facebookstatussen zelf. Mensen kunnen in een seconde een gemeenschappelijke interesse vinden. Als een idee echt populair wordt, zal er zeker iemand opstaan die oppert bijeen te komen op dat-en-dat plein. De verbinding met de straat is gelegd en de magische megafoon van sociale media kan zijn werk doen. Foto’s van menigtes brengen nieuwe menigtes op de been en voor je het weet heb je een opstand, vaak tot verbazing van de initiatiefnemers zelf.

Het medium heeft een paar aantrekkelijke voordelen die gemaakt lijken te zijn voor de situatie in Oost-Europa. Zo’n beweging heeft geen leiders nodig en geen concreet programma. Clicks krijg je door vaag te blijven en zoveel mogelijk mensen aan te spreken, niet door concreet te worden. “#jmbg!” was één van de succesvolste slogans van de laatste jaren. Andere waren “Sarajevo in opstand” of “Wij hebben genoeg van jullie”.

Op die manier kan een grote groep worden bereikt die door ervaring cynisch is geworden over politiek. Traditionele politieke hervormingsbewegingen gaan hier doorgaans ten onder aan controverses rond hun leider, of gekibbel over de details van het politieke programma. Die problemen worden met de simpele, egalitaire organisatie van sociale media omzeild.

Maar die kracht is ook de zwakte. “Verzet per smartphone” is zó weer gebroken. Door een strategische knieval van de overheid, of door prozaïscher oorzaken zoals slecht weer, werk- of andere verplichtingen. Het is gewoon niet te doen om een grote menigte lange tijd op de been te houden. En de samenhang en betrouwbaarheid van digitale groepen is extreem zwak. Je weet nooit waar je aan toe bent.

Facebookrevoluties hebben een paar grote voordelen waar iedereen het over heeft, maar de zwaktes zijn onderbelicht, zegt Srđa Popović. Hij was rond de eeuwwisseling één van de initiatiefnemers van de geweldloze opstand tegen de Servische dictator Slobodan Milošević. Tegenwoordig leidt hij het Centrum voor Toegepaste Geweldloze Actie en Strategie CANVAS in Belgrado, dat steun biedt aan (en onderzoek doet naar) protestbewegingen. Hij noemt de fenomenen ‘clicktivisme’ en ‘occupy-isme’ als structurele zwaktes.

De eerste is het idee dat je met een muisklik daadwerkelijk iets bijdraagt: “Ik ken heel veel mensen die via facebook een paar goede doelen per dag aanklikken en het daarbij laten. Je hebt het gevoel dat je iets hebt gedaan. De activistische stoom gaat zogezegd van de ketel.”

Occupy-isme is de obsessie met het vullen van pleinen. Sociale media maken dat gemakkelijker dan ooit en dus kunnen veel sociaal activisten de verleiding niet weerstaan: “Groepen worden supergeobsedeerd door het gemak waarmee ze een massa kunnen bereiken en verwarren dat middel met een doel. Het idee heeft postgevat dat als we met zijn allen op een symbolische plaats gaan staan de chocolaatjes vanzelf uit de lucht komen vallen”, zegt Popović.

“In werkelijkheid is het de laatste tactiek die ik mensen zou aanraden. Het is enorm veeleisend. Je moet de menigte organiseren. Mensen moeten plassen, ze moeten iets te doen hebben… Tegelijkertijd is het niet vaak effectief. Je verspilt de energie van je aanhangers.”

Leercurve

Dat weten activisten in Tuzla al te goed. In februari 2014 was plotseling de boot aan in deze stad in Bosnië. Ontslagen fabrieksarbeiders demonstreerden al jaren tegen de privatisering – volgens hen plundering – van staatsbedrijven, die de meeste fabrieken de kop had gekost. Plots kregen ze gezelschap van duizenden medeburgers. Er waren rellen, een regeringsgebouw ging in brand en even was er de euforie dat er echt iets ging veranderen.

Activist Emin Eminagić weet nog steeds niet hoe het kwam: “We waren nooit overmatig met facebook bezig. We postten gewoon aankondigingen van onze demonstraties. Duizend mensen zegden toe om te komen, vijf stonden er daadwerkelijk. Dat was een ingesleten patroon van jaren. En ineens stonden daar duizenden mensen.”

Die menigte bleef niet. Een paar dagen later stond demonstrant Muhareb Hasić

letterlijk alléén in de regen voor dat uitgebrande regeringskantoor in Tuzla. “We zijn hongerig en woedend”, zei hij vol overtuiging. Half Bosnië was dat volmondig met hem eens, maar op die dag was hij wel de enige die daar in de regen nog stond.

Tuzla deed wel een poging om de protesten concreet te maken en het momentum van de demonstraties te behouden. Snel werd een burgerforum opgericht, waar iedereen voorstellen voor hervormingen kon indienen. Het vond al snel navolging in heel Bosnië.

Bijeenkomsten verliepen verfrissend chaotisch, burgers besprongen enthousiast het podium. De één wilde privatiseringen van staatsbedrijven terugdraaien, een ander pleitte voor een volksomroep, als tegenwicht voor de regeringspropaganda waar hij de publieke omroep van betichtte. Het werd allemaal keurig genotuleerd en gepubliceerd op sociale media. Via internet werden de vergaderingen live door duizenden mensen gevolgd.

De fora wierpen ook vruchten af. Een oproep om een exorbitante bonus voor politiek bestuurders af te schaffen werd prompt gehonoreerd. Maar ondanks, of misschien wel dankzij, dit soort succesjes verloren de burgerfora toch momentum.

Intussen is er weinig veranderd aan de armoede en de woede in Tuzla. Maar de uitgebluste revolutie van vorig jaar heeft Emin Eminagić gesterkt in zijn overtuiging dat je niet teveel moet leunen op sociale media en snelle demonstraties. “Uiteindelijk vervreemdt het je publiek. Sociale media zijn heel handig als je snel iets groots wilt organiseren. Maar op dit moment richten we ons vooral op direct, persoonlijk contact met mensen, zoals werknemers van geprivatiseerde staatsbedrijven die nu op straat staan.”

Eminagić noemt het Tuzla Initiatief, dat ijvert voor een gelijkere verdeling van het budget over de regio’s van Bosnië, als duidelijk voorbeeld van een betere benadering. Een groep voortrekkers heeft een duidelijk plan, met concrete voorstellen, en vraagt er aandacht voor via ‘traditionele’ kanalen: het parlement of de gevestigde pers. Daarná komt het bereiken van een groot publiek. “Strategie komt eerst, dat is eens te meer duidelijk.”

Naijleffect

De regio is inmidddels bezaaid met initiatieven die succesvol waren dankzij sociale media, maar niet op een fundament werden gebouwd. Maar toch kan het zijn dat al die uitgebluste opstanden stukje bij beetje de mentaliteit veranderen.

Dat denkt Balász Gulyás. Hij hielp in oktober vorig jaar in Hongarije het protest organiseren tegen een aangekondigde belasting op internetgebruik. Het bleek een prachtige aanleiding om de onvrede met de autoritaire regering van premier Victor Orbán te bundelen. De grootste manifestatie bracht honderdduizend mensen op de been. De nieuwe belasting ging van tafel, maar daarmee ook de massale animo voor protesten.

Dezer dagen is Gulyás al blij met een paar duizend deelnemers. “Zo’n menigte als in oktober was uniek”, beseft hij. “Maar al die kleinere protesten helpen toch om de publieke stemming te veranderen. Mensen waren verlamd door het idee dat er niets kan worden gedaan tegen Orbán. Dat hebben we doorbroken.” Hij hoopt op een optelsom van kleine acties die mensen klaarstoomt om hun lot in eigen handen te nemen.

Iets soortgelijks heeft zich wellicht al voltrokken in Roemenië. Dat land zag jaren van sit-in protesten tegen corrupte politici, tegen de winning van goud of schaliegas. Of tegen niets in het bijzonder.

Duizenden mensen lieten zich fotograferen met een stuk karton met de boodschap “Wij hebben genoeg van jullie” – inclusief, in een spontane ingeving, uw correspondent. De actie was ludiek, vrijblijvend en juist bedoeld om nooit meer iets concreets van te horen. Het facebookaccount was na een korte periode van hevige activiteit maandenlang stil.

Maar in oktober vorig jaar vond in Roemenië de tastbare revolte plaats. Honderdduizenden kiezers van wie niemand had gedacht dat ze zouden stemmen, doken plots op bij het stembureau om de kansloos geachte outsider Klaus Iohannis tot president te kiezen.

De omwenteling had veel te danken aan die sociale media. Last minute-oproepen van gewone burgers om ondanks alle pessimisme toch te stemmen bleken plots succesvol. Roemeense expats in Frankrijk namen, in de lange rij voor het sluitende stembureau, een spontane videoboodschap op voor hun landgenoten in de Verenigde Staten waar de stembussen nog open waren. Iohannis zelf was de eerste om het ‘online’ actievoeren als tot geheim van zijn succes te verklaren.

In dit geval kwamen de elementen bij elkaar om de megafoonfunctie van sociale media tot hun recht te laten komen: het langdurige veldwerk van protestgroepen had het publiek rijp gemaakt, en er was een concreet en simpel doel, dat met één gang naar het stembureau te verwezenlijken was.

Dat is wellicht de echte magie van sociale media als actiemiddel: het is geen vervanger voor een solide organisatie, maar in de juiste omstandigheden kunnen een paar tweets daadwerkelijk iets teweeg brengen.

De uitgeholde staat: Nooit meer Dayton

Bosnië fungeert al twintig jaar lang als laboratorium voor het lijmen van een uiteengevallen staat. Twintig jaar na het Daytonakkoord dat een einde maakte aan de Bosnische oorlog moeten we concluderen dat deze lijm niet houdt. 

Over Bosnië is het gemeengoed om te stellen dat het land in transitie is, en dat de wonden van de oorlog nog te vers zijn om te verwachten dat Bosnië als een normaal land functioneert. Die opvatting gaat eraan voorbij dat juist de regelingen van Dayton dat normaal functioneren in de weg staan. Op deze manier kun je wachten tot je een ons weegt.

Door Joost van Egmond

Het laboratoriumexperiment levert wel interessante lessen, niet alleen voor de toekomst van Bosnië, maar ook van al die andere landen waar gepraat wordt over opsplitsing, en vooral over compromissen om een opsplitsing te voorkomen. Je kunt regionale overheden macht geven, maar dat lost niet de kern van het conflict op. Het biedt hooguit een adempauze. Dat kunnen vredestichters in Oekraïne, Kosovo, Syrië en Irak wel noteren. Maar ook in België, Spanje, Schotland kunnen overheden er hun voordeel mee doen. Want hoeveel verschillen er ook zijn tussen landen in oorlog en landen in vrede, deze les is voor iedereen dezelfde.

De Bosnische oplossing

Stel, we onderwerpen België aan de Bosnische oplossing – die is nog maar een kleine stap verder dan het huidige bestel. Het land krijgt dan een duo-premierschap van een Waal en een Vlaming. Vlamingen kiezen de Vlaming, en Walen de Waal – Duitstalige Belgen hebben pech. Als de twee leiders het niet met elkaar eens zijn, ligt de federale regering lam en verschuift de macht richting de deelstaten. Maar we gaan er natuurlijk van uit dat ze gaandeweg steeds beter gaan samenwerken…

Als dit onwaarschijnlijk klinkt, is dat omdat het onwaarschijnlijk is. Juist in België kunnen ze daarover meepraten, maar ook in het Verenigd Koninkrijk of in Spanje, waar meer autonomie voor Schotland en Catalonië werd gevolgd door een grotere roep om afscheiding.

voorstanders van afscheiding worden beloond voor dwarsliggen

Als een staat bevoegdheden afdraagt aan een regionale overheid wordt die regionale overheid sterker ten koste van het centrale gezag. Dat maakt dat centrale gezag dus ook minder relevant voor burgers, die zich steeds meer zullen afvragen of ze het wel nodig hebben. Zeker als de verantwoordelijkheden zo zijn afgebakend dat het centrale gezag staat of valt bij samenwerking van de regio’s. Zo worden voorstanders van afscheiding ‘beloond’ voor dwarsliggen. Dat is wat je in Bosnië zeker de laatste tien jaar heel helder ziet gebeuren. Als de centrale staat niet functioneert, winnen de argumenten voor afscheiding aan kracht. Of dat goed of slecht is, is een ander verhaal. Maar dat het keer op keer zo werkt zou niet moeten verbazen.

Toch is die hoop op toenemende samenwerking precies de gedachte die ten grondslag ligt aan Bosnië zoals we het de afgelopen twintig jaar kennen. De opdeling van het land is extreem. Alles gaat in drievoud. Het bestuur is zorgvuldig opgedeeld om een balans te bewaren tussen Bosnische Serviërs, Bosnische Kroaten en Bošnjaks, ook wel bekend als Moslims met de hoofdletter M, om duidelijk te maken dat het hier eerder om een bevolkingsgroep gaat dan om aanhangers van een geloof. De deling is vastgelegd in het vredesakkoord van Dayton, dat werd ondertekend op 14 december 1995.

Stop de oorlog, wat het ook kost

In het najaar van 1995 was die oplossing logisch. De waanzin van de Bosnische oorlog moest worden gestopt. We hadden drie jaar toegekeken hoe sluipschutters schoten op alles dat bewoog in Sarajevo. Mensen werden mishandeld en vermoord op basis van hun afkomst. We hadden in Srebrenica een genocide op het Europese continent gezien. Een andere prioriteit dan het stoppen van het geweld was nauwelijks denkbaar, laat staan uitvoerbaar.

De vorm van de vrede lag ook voor de hand. Bosnische Serviërs en Bosnische Kroaten hadden het land uiteen getrokken om zoveel mogelijk terrein te winnen en een eigen staat te bouwen. Zij stonden tegenover de mensen die Bosnië bijeen wilden houden. Dat was een diverse groep die steeds meer gedomineerd werd door nationalisten die zich Bošnjaks noemden en in feite de derde grote nationaliteit van Bosnië vormden. Die drie partijen moesten in balans worden gebracht en dat gebeurde.

We konden kiezen tussen een onvolmaakte vrede en hervatting van de oorlog — Richard Holbrooke

De Bosnische Serviërs kregen een eigen deelstaat, met een eigen president. De Bošnjaks en Kroaten vormden samen een federatie. Grenzen werden grillig en onwerkbaar getrokken langs de lijnen van de etnische zuivering uit de oorlog, etniciteiten en deelstaten moesten zoveel mogelijk overlappen. Een lapje grond waarover men het niet eens kon worden werd autonoom.

Bosnië was officieel één land, maar om te kunnen functioneren had het een lange weg te gaan. De architecten van Dayton waren verre van naïef over dat resultaat. De Amerikaanse onderhandelaar Richard Holbrooke onderschreef ten volle de kritiek op de zwaktes van Dayton. Zijn verdediging was simpel: ‘We konden kiezen tussen een onvolmaakte vrede en hervatting van de oorlog.’ Dayton had een oorlog gestopt, maar de transitie naar een normaal land moest nog worden gemaakt. Die transitie is volkomen in het slop geraakt.

Ook ons probleem

Dat is uiteraard in de eerste plaats een probleem van Bosnië zelf. Maar de rol van de ‘internationale gemeenschap’ is meer dan die van een toeschouwer. De Verenigde Staten en de Europese Unie forceerden Dayton, en ze zijn partij in het toezicht op de naleving van het akkoord.

Dayton is de bodem onder Bosnië, maar niet het plafond — Paddy Ashdown

Dayton bracht bijvoorbeeld het ambt van ‘hoge vertegenwoordiger van de internationale gemeenschap’. Een soort gouverneur die namens een groep toezichthoudende landen onwillige politici kan dwingen samen te werken. In de eerste jaren na Dayton had Bosnië heel actieve hoge vertegenwoordigers. Berucht werd de Brit Paddy Ashdown – in functie van 2002 tot 2006 – die met of zonder instemming van Bosnische politici hervormingen doorvoerde om de staat te versterken, zoals de vorming van één leger. “Dayton is de bodem onder Bosnië, maar niet het plafond”, was zijn motto.

Ashdowns hardhandige optreden zorgde voor grote controverse en leverde hem de bijnaam ‘onderkoning van Bosnië’ op. De laatste tien jaar wordt het ambt veel terughoudender ingevuld. Het ontbreekt de toezichthoudende landen aan de politieke wil om Bosnische politici tot de orde te roepen. De huidige hoge vertegenwoordiger, Valentin Inzko, erkent dat het land stil staat. Tijdens een herdenking van Dayton in november riep hij Bosnië op om dezelfde ambitie te tonen die het land in de eerste tien jaar na de vrede zo ver bracht. Maar of hij die ambitie desnoods ook zal afdwingen liet hij in het midden.

Europa en Amerika moeten zich afvragen wat het resultaat is van hun bemoeienis met Bosnië. Als het niet voor Bosnië zelf is, dan op zijn minst om te leren voor toekomstig ingrijpen. Het afdwingen van Dayton brengt verantwoordelijkheid met zich mee.

Onvolmaakte vrede in de praktijk

Holbrooke’s onvolmaakte vrede is twintig jaar later onmiskenbaar. De brede boulevard in het centrum van Sarajevo gold tijdens de oorlog als de ‘sluipschuttersteeg’. Bosnisch Servische troepen schoten vanuit de heuvels op alles dat bewoog. Het Bosnische parlement aan die straat was een uitgebrande ruïne.

Bijna niemand kon zich toen voorstellen dat hier ooit nog afgevaardigden uit alle hoeken van het land bijeen zouden komen. Toch is dat nu het geval. Wie wil kan ook de heuvels in naar Servisch Sarajevo, waar twintig jaar geleden de sluipschutters op wacht lagen. Je steekt de voormalige frontlijn over zonder controles, je betaalt er met dezelfde munteenheid en er gelden globaal dezelfde wetten. Bosnië is in 2015 in veel opzichten één land.

Maar de onvolmaaktheid van de vrede weegt zwaar. Bijeen zijn blijkt iets anders dan samen zijn. Het aantal gevallen waarin Bošnjaks, Serviërs en Kroaten in dat parlement aan de boulevard de afgelopen jaren samenwerkten is op de vingers van één hand te tellen. Waarom zouden ze ook? Het staatsbestel geeft hen macht zolang de tegenstelling tussen de bevolkingsgroepen intact blijft.

Het bestaansrecht van deze politieke vertegenwoordigers is een vermeend groepsbelang binnen de staat, geen algemene belangen als onderwijs, gezondheidszorg of werkgelegenheid. Op die thema’s kunnen Serviërs, Kroaten en Bošnjaks zich niet van elkaar onderscheiden en die sneeuwen dus onder. Het veroorzaakt een permanente bestuurscrisis. Bosniërs worden verstikt onder een dikke laag van bestuurders die zich overal mee bezig houdt, behalve met wat relevant is in het dagelijks leven van burgers. ‘Transitie geslaagd, patiënt overleden’ vatte de rockband Dubioza Kolektiv het samen.

Verenigd in wanhoop

Burgers voelen die crisis. Dat bleek eens te meer in 2013, toen een pietluttig geschil over de status van gemeentes leidde tot grote problemen in de echte wereld. Servische politici zagen in het conflict een kans om Servisch Sarajevo als zelfstandige gemeente op de kaart te zetten. Bošnjakken waren daar mordicus op tegen omdat de ondeelbaarheid van Sarajevo hen heilig is. In de tussentijd lag de gemeentelijke administratie lam, waardoor pasgeboren kinderen niet konden worden geregistreerd en geen gezondheidsverzekering konden krijgen.

Deze crisis liet ook zien dat veel burgers genoeg hebben van hun niet functionerende staat. Een menigte bestormde het parlement en zegde de gehele politieke klasse de wacht aan. Gewapend met kinderwagens blokkeerden ze de straten. Vergelijkbare massale protesten vonden plaats in alle delen van Bosnië. Het bleef ook niet beperkt tot protest tegen de problemen bij het aangeven van babies. Alle onvrede over corruptie en economische en politieke stilstand kwam er uit. ‘Ontslag’, was de slogan. Voor alle politici, zonder aanziens des persoons.

Demonstratie in Banja Luka in de Servische deelrepubliek, juni 2013. Andere vlag, dezelfde klacht (foto: Joost van Egmond)

Demonstratie in Banja Luka in de Servische deelrepubliek, juni 2013. Andere vlag, dezelfde klacht (foto: Joost van Egmond)

Het land bleek verenigd in wanhoop, maar de burgers bleken niet in staat om met één stem te spreken. Dat betekent niet dat de demonstranten zo gesegregeerd zijn. ‘Nationale belangen hebben hier allemaal niets mee te maken”, vertelde een demonstrant in Banja Luka me. ‘Wat wij nodig hebben is een normale regering die zijn werk doet.’ Die klacht was overal dezelfde. Maar ieder deponeerde hem bij zijn ‘eigen’ autoriteiten. Dat is namelijk waar de macht ligt. De Bosnische bevolking heeft niet een loket waar ze kunnen klagen; er zijn er drie.

Don’t mention the war

De gangbare verklaring voor de Bosnische puinhoop is de oorlog. Die ligt nog te vers in het geheugen. Bosnië heeft meer tijd nodig om de oorlog achter zich te laten, heet het. De trauma’s, de angst voor een herhaling staan samenwerking tussen de bevolkingsgroepen in de weg. De oorlog zou Bosnië ook onvergelijkbaar maken met België, Catalonië of Schotland.

Inderdaad is de oorlog nog overal in Bosnië. Je ziet hem in de verloedering van kapotgeschoten gebouwen, in de grote en kleine monumenten die overal zijn opgericht. Je hoort hem terug in de levensverhalen van de mensen die er bij waren en inmiddels ook van jongeren die ruim na de oorlog geboren zijn.

De problemen van het huidige Bosnië zijn absoluut op de oorlog terug te voeren. De krankzinnige gelaagdheid van de overheid, die bestuurlijke verlamming en corruptie in de hand werkt, de strijd op scholen over hoe de inwoners van Bosnië de taal moeten noemen die zij allemaal verstaan. De gevoeligheden zijn overal.

Maar van die vaststelling is het een hele sprong naar de vooronderstelling dat deze barricades zullen verdwijnen door af te wachten. Na twintig jaar zouden er dan toch aanwijzingen moeten zijn dat het iets beter gaat. In plaats daarvan staat de twintigste herdenking van Dayton in het teken van de signalen dat het land alsnog wordt opgedeeld.

Voetbal wijst de weg

Het kan anders. Neem het knulligste aller dossiers: voetbal. Zoals het presidentschap van het land, was ook het voorzitterschap van de voetbalbond opgedeeld tussen een Kroaat, een Serviër en een Bošnjak. Dat bestond al jaren en leek onoverkomelijk. Dreigementen van de voetbalbond Uefa om het Bosnische elftal te schorsen wegens dat verdeelde voorzitterschap konden de bobo’s ook niet bijeen brengen. Maar toen het dreigement éénmaal was uitgevoerd ging het hard. Een normalisatiecomite stelde orde op zaken en een halfjaar later functioneerde de bond. Bosnië haalde overigens prompt het wereldkampioenschap voetbal, hoewel dat meer van doen had met de kwaliteiten van de mensen in het veld dan daarbuiten.

Plotse kordaatheid toonde Bosnië ook in 2010, toen het de kans had gemist om burgers visumvrij te laten reizen naar de Europese Unie omdat de wetten tussen de deelstaten teveel uiteen liepen. Toen de EU een keihard ‘nee’ verkocht werden de bestuurders wakker. De eisen werden in sneltreinvaart ingewilligd en Bosnië slaagde voor de herkansing.

Wachten is geen optie

Bosnië is ver, en de situatie is absurd. Maar het land is geen uniek geval. De situatie daar is niet meer dan de uiterste consequentie van een heel gangbare vorm van compromissen sluiten. Van Catalonië tot Schotland is Europa eraan gewend geraakt om een uitgeholde staat als compromis te zien tussen bijeen blijven en afscheiding. In feite is het hooguit een tijdelijke oplossing.

Wie een land bijeen wil houden, moet zorgen dat het ook kan functioneren. Anders is het wachten op uiteenvallen

Het Bosnisch experiment laat tegelijkertijd de winst en de zwakte zien van zo’n compromis. Het kan een oorlog stoppen en tijd winnen. Maar wanneer er tijdens die onvolmaakte vrede niet serieus werk wordt gemaakt van een herintegratie, zal de staat alleen maar verder worden uitgehold. Wie een land bijeen wil houden, moet zorgen dat het ook kan functioneren en zijn relevantie aan de burgers bewijzen. Anders is het wachten op uiteenvallen.

Dat betekent zeker niet dat het delen van de macht altijd een slecht idee is, maar wel dat alleen het besluit dat een land in naam blijft bestaan niet genoeg is. Het moet lonen om het politieke midden op te zoeken. De machtsdeling in Noord-Ierland is daar een goed voorbeeld van. Separatisten en unionisten zijn daar gedwongen om samen een kabinet te vormen. Doen ze dat niet, dan wordt het land vanuit Londen bestuurd en verliezen ze allen hun macht. Het functioneert verre van perfect, maar zet wel een rem op de voortschrijdende desintegratie die Bosnië nu in zijn greep heeft.

De uitweg voor Bosnië is verre van simpel. Het zal een juiste mix moeten zijn van schijnbaar tegenstrijdige strategiën zoals dwang én eigen verantwoordelijkheid, druk van binnen én van buiten. Maar wat ook de juiste mix is, de huidige strategie van afwachten behoort zeker niet tot de hoofdingrediënten.

Luister hier naar een gesprek met de auteur over twintig jaar Dayton in Met het Oog op Morgen van 13 december 2015

Nu ik een baard heb, bemoeit iedereen zich met me

Een gemeenschap van strikt gelovige moslims zorgt in Bosnië voor grote spanning. Bewoners vinden het tegendeel van wat ze zeggen te zoeken: Rust.

De politiecontrole staat er nu vier maanden. Sindsdien kan niemand nog ongezien Gornja Maoča in of uit. Hoe streng er wordt gecontroleerd hangt af van wie er voorbijkomt.

Bewoners van de huizen direct aan het begin van de bergweg kunnen zo doorlopen, maar van vreemde bezoekers worden alle paspoortgegevens opgeschreven in een notitieblokje. Over het doel van de controle halen de agenten hun schouders op. Ze moeten ‘in de buurt zijn’ voor het geval er iets gebeurt.

Hier, aan het einde van de asfaltweg, begint de klim naar Gornja Maoča, een bergdorp in het uiterste noordoosten van Bosnië en Herzegovina. De losjes met kiezels bestrooide kleiweg is de enige toegang. Verder is het omgeven met steile, beboste heuvels. Een mooie plek voor een vakantiekolonie.

Sommige mensen hebben hier dan ook een weekendhuisje, anderen wonen er permanent, zoals Sabir Suljić. Zijn huis is feitelijk nog onderdeel van Donja – laag – Maoča, maar hij is wel achter de politiecontrole terechtgekomen. “Wat doe je eraan?” zegt hij schouderophalend. Ze staan er nu wel erg lang, maar ooit gaan ze wel weer weg. In de tussentijd hoeft hij in ieder geval zijn deur niet op slot te doen.

Sommigen noemen de heuvel en zijn bewoners ZZ Top, naar de bebaarde Amerikaanse rockband uit de jaren tachtig

De reden voor alle aandacht is de bewoners hogerop, aan het einde van de weg. Daar woont een groep striktgelovige moslims. ‘Vehabi’ worden ze genoemd, naar de van oorsprong Saoedi-Arabische geloofsrichting van het Wahabisme. Anderen hebben het simpelweg over ‘de baarden’, of ze noemen de heuvel en zijn bewoners ZZ Top, naar de bebaarde Amerikaanse rockband uit de jaren tachtig.

Verspreid over Bosnië is er op dit moment een handvol religieuze dorpen, waarvan Gornja Maoča de bekendste en beruchtste is. Op een stroming binnen de Islam laten ze zich niet vastpinnen. “Ik noem mezelf moslim”, zegt Salih Dukić simpelweg. De bewoners leven in afzondering en zijn op elkaar aangewezen.
Gornja Maoča heeft electriciteit en stromend water van de gemeente, maar verder is er weinig bemoeienis met de buitenwereld. Voor de kinderen is er een eigen school, al komen daar wel leraren van buiten om de kinderen te onderwijzen.
Hoeveel mensen er precies in Gornja Maoča wonen wisselt nogal. Sommigen wonen er al jaren, anderen komen en gaan. Vanaf de weg zijn zeker twintig bewoonde huizen te zien. Andere staan leeg, één is er zelfs te koop. Een bord biedt een etage met garage en een stuk grond aan voor 8200 euro. Nadere toelichting op het aanbod wilde de bewoner niet geven.

Maar of ze nu grappen maken of niet, de meeste buitenstaanders worden nerveus van de moslims op de heuvel. De gemeenschap wordt geassocieerd met geweld. Het zou een trainingskamp zijn voor jihad, bewoners zouden naar Syrië vertrekken om daar voor Islamitische Staat te vechten. Een jongeman die in 2011 schoten loste op de Amerikaanse ambassade in Sarajevo bracht er enige tijd door. Een bewoner die pontificaal de vlag van IS aan zijn huis hing, hielp het imago bestendigen. Gornja Maoča staat onderhand bij de sensatiepers bekend als de ‘IS-burcht’ van Europa.

Sabir Suljić is hun buurman, maar hij haalt zijn schouders op over alle geruchten. “Het gaat hier prima, we gaan om als goede buren. Soms gaan we samen jagen in de bossen. Het enige dat me stoort is dat ze zo afkeurend reageren als ik een biertje drink.”

Op ZZ Top

Verder naar boven wordt de weg er niet beter op. De ontvangst is ook anders. Mannen met lange baarden kijken argwanend naar de bezoekers, vrouwen in nikab lopen weg uit de voortuin en vertrekken naar binnen, of achter het huis.

Rond de moskee staan zo’n twintig huizen dicht op elkaar. Het huis waar de IS-vlag hing vertoont een kale plek. De vlag is weg, de bewoners laten zich niet zien. Op straat zijn vooral kinderen. Ze klimmen in een boom met rijpe razdelije, een soort kleine abrikoosjes, en schudden de vruchten eruit.

Een jonge vader loopt met zijn zoontje over de weg, in zijn hand een tabletcomputer. Praten doet hij liever niet. “Ik ben hier pas een paar maanden, het is beter om ouderen te spreken”, zegt hij ontwijkend.

Maar die ouderen willen niet. “We hebben hier genoeg van buitenstaanders”, legt een man uit die met een ouderwetse zeis gras staat te maaien. Hij is vriendelijk maar beslist. “Journalisten vertellen toch alleen leugens.” Die avond besluiten de bewoners dat ook deze bezoekers genegeerd zullen worden.

Dukić mag dan strikt in de geloofsleer zijn, dat is niet ten koste gegaan van zijn gevoel voor humor

Behalve door Salih Dukić. Hij heeft in een onbewaakt moment een rondleiding toegezegd over zijn erf, en zijn afspraken komt hij na, al zien de broeders dorpsgenoten het niet zitten. Dukić mag dan strikt in de geloofsleer zijn, dat is niet ten koste gegaan van zijn gevoel voor humor: “Kijk, hier houd ik terroristische regenwormen”, zegt hij als hij het deksel optilt van de bak waarin hij mest verrijkt.

Hij heeft hier nu vijf jaar een eenvoudige boerderij. In een andere context zou je hem wellicht een ecoboer noemen. Hij heeft bijen, kippen, twee geiten, een geïmproviseerde broeikas. Van de melk van de geiten maakt hij een geweldig lekkere kaas. Hij heeft het allemaal zelf opgebouwd, al wist hij niets van boeren toen hij hier kwam: “Ik heb het geleerd van sjeikh Google.”

foto: Amer Kapetanović

Geboren in Kalesija, iets zuidelijker in Bosnië, verkaste Dukić al vroeg naar de Oostenrijkse stad Graz, waar hij vijfentwintig jaar lang in de bouw werkte. Hij werd er een stadsmens. Maar zo’n zeven jaar geleden knapte er iets. Hij vertelt het met tranen in zijn ogen.

“Ik werkte als een idioot en ik had alles. Ik dronk, ik ging uit, ik had een auto en een groot huis waar niemand woonde. Ik besefte dat het mij niet vervulde. Mijn triestheid werd intens…”

Dukić vond rust in het geloof in god. “Hij is de enige die die leegte kan vullen”, zegt hij stellig. Zijn mond krult om tot een glimlach. “Als ik bid, dan luistert de Heer. Hij praat terug tegen mij.”

In Graz kon hij niet meer leven. Ondanks dat zijn vrouw en kinderen hem niet volgden, vertrok hij naar Gornja Maoča waar hij een nieuw gezin stichtte. “Mijn vrouw en ik willen schoon leven. We zochten een omgeving waar onze kinderen buiten kunnen spelen. Hier is geen televisie, geen alcohol, we roken hier niet. Voor mij is dat vrede en vrijheid.”

“Boem!”

Binnen de gemeenschap vindt hij die rust, maar erbuiten minder dan ooit. “Als we naar de stad gaan, mijn vrouw in nikab, worden we nageroepen. ‘He kijk! Ninja’s!’ Een keer sprong iemand pal voor mijn gezicht en riep hard ‘Boem!’. Het is de atmosfeer waarmee we moeten leven. Toen ik nog in de kroeg zat en rookte en gokte was er niemand die er iets van zei, maar nu ik een baard heb, bemoeit iedereen zich met me.”

“We hebben hier politieinvallen gehad. Ik heb in mijn huis troepen van de speciale eenheid over de vloer gekregen die een geweer op mijn hoofd richtten. De afgelopen weken ging ik dagelijks met tomaten naar de markt en ik ben iedere keer staande gehouden bij die politiecontrole. De paus was laatst in Sarajevo en hij vergeleek die stad met Jeruzalem. Maar hier, in Gornja Maoča, is het net Gaza.”

Als Sarajevo Jeruzalem is, dan is het hier Gaza

“De Islam wordt in Bosnië niet alleen als religie beschouwd maar geldt in eerste instantie als bron van het culturele erfgoed waar de nationale identiteit op is gebaseerd”, zegt historicus Harm Kern, die onderzoek doet naar de identiteitsbeleving van Bosnische Moslims.
“Bosnische Moslims maakten tijdens de oorlog bewust de keuze hun nationaliteit te ontdoen van de religieuze term Moslim met de introductie van de seculiere naam Bošnjak. Hun culturele erfgoed lag letterlijk onder vuur en dit leidde tot versterkt nationalisme. Die processen zijn voortgezet in naoorlogs-Bosnië, dat wordt geregeerd door nationalistische politiek.”
“Islamisme zoals in Gornja Maoča ontkent nationaal gevoel en beschouwt het geloof als de enige ware identiteit. Deze marginale gemeenschappen negeren niet alleen Bosnisch nationaal gevoel maar hebben ook een zekere afkeur tegenover seculiere Bošnjakken als ongelovigen. Omdat islamitisch erfgoed tegelijkertijd wel degelijk de nationale identiteit van de Bošnjakken definieert leidt de ontkenning en afkeur van zelfverklaarde ware gelovigen in eigen rangen tot zenuwen en spanning onder minder strikt gelovige Bošnjakken.”

De Bosnische autoriteiten houden het dorp scherp in de gaten, maar hebben geen goede reden gevonden om de gemeenschap op te doeken. Natuurlijk zijn er wapens in het dorp, maar die vind je in ieder dorp in Bosnië. Er wordt immers volop gejaagd. Het blijft bij patrouilleren en af en toe een inval. Dat drijft de wederzijdse argwaan verder op.

Dukić heeft geen behoefte zich tegen alle verdenkingen te verdedigen. Of anderen in het dorp dwepen met Islamitische Staat vindt hij niet zijn zaak. Hij spreekt alleen namens zichzelf: “Geweld keur ik af. In het geloof is er geen plaats voor geweld. En de oorlog in Syrië is drieduizend kilometer ver weg. Ik zie niet in wat ik daarmee te maken heb. Ik probeer hier een goed en schoon leven te leiden met mijn gezin en ik heb geen behoefte om anderen te controleren.”

Hoe zou Dukić zich voelen als één van zijn kinderen deze heuvel wil verlaten? “Luister, ik heb een broer die niet gelooft, een ex-vrouw, drie oudere kinderen. Natuurlijk doet dat me pijn, en dat zou ook zo zijn als mijn jonge kinderen een ander leven kiezen, maar het is ieders recht om niet te geloven. Ik probeer ze te steunen, maar wat kan ik meer doen? Ik kies voor Allah en laat anderen met rust.”

Een stem roept. Eén van de broeders wil kort met Dukić spreken. Als hij terugkomt is het gesprek voorbij: “Goed, mensen. Het is tijd om te gaan.” Met een geitenkaas en een tomaat vertrekken de bezoekers. Het is weer rustig in Gornja Maoča.

Joegoslavië: Een prachtland op papier

In één van de galerijen van het Koninklijk Paleis in Belgrado staat een beeld van de Kroatische artiest Ivan Mestrović. Prachtig uitgelicht onder de bogengalerij symboliseert het het optimisme waarmee romantici het nieuwe Koninkrijk van Slovenen, Kroaten en Serviërs begroetten.

mestrovic Mestrović gold in die jaren als de huisbeeldhouwer van koning Aleksandar Karađorđević, ‘de vereniger’ die het paleis liet bouwen. Het nieuwe koninkrijk met de lange naam, dat later zou worden omgedoopt in Joegoslavië, was voor Mestrović een harmonieus samengaan van de Zuid-Slavische volkeren, en bovenal een bevrijding van ‘zijn’ Kroatië van de Oostenrijks-Hongaarse overheersing.

Het was dan ook een koude douche toen premier Milenko Vesnić hem toebeet: ‘Als jullie denken dat we hier allemaal als gelijken staan, dan hebben jullie de situatie nog niet goed begrepen’. Mestrović tekende het voorval op in zijn memoires, inmidddels gedesillusioneerd met Joegoslavië.

Door Joost van Egmond

Dit artikel verscheen in 2014 in dagblad Trouw/De Verdieping als aflevering in een serie over de Eerste Wereldoorlog

Vesnić claimde voor zijn land Servië de overwinning in de oorlog, die ten koste van enorme offers was behaald. Servië was bovendien met Montenegro het enige land dat als zelfstandige staat tot Joegoslavië toetrad. Vesnić zag Servië graag als de bevrijder van de andere volken in Joegoslavië. Maar die bevrijding had een prijs. Servië was wat Vesnić en vele anderen betrof de baas.
Lees verder »Joegoslavië: Een prachtland op papier